Posts

Posts uit november, 2021 tonen

125 Theun de Vries en Tolstoj zijn broers laarzen

Afbeelding
Zeggen deed Aljosja weinig en als hij wat zei, was het altijd kort en kortaf. En als hij iets moest doen of ze vroegen hem of hij iets kon doen, zei hij altijd zonder de minste aarzeling: ‘Kan allemaal’, en dan rende hij al om het te doen en hij deed het.    Aljosja praat zo’n beetje als Tolstoj schrijft, kort en kortaf, en in plaats van zijn zinnen bij te vijlen rent hij alweer naar de volgende.    Theun de Vries is niet alleen de eerste Joyce-vertaler, maar blijkt ook een Tolstoj-vertaler te zijn. In 1941 vertaalde hij Aljosja de Pot uit 1905 voor dezelfde 1001 avond -reeks als waarin zijn vertaling van Joyce z’n Eveline staat. Later zou Theun de Vries onder meer Schateiland van Stevenson vertalen voor hij zich op stichtelijker lectuur toelegde zoals bijvoorbeeld de gedichten van Mao Zedong.    Het is een integrale vertaling, ‘Aljosja, de Pot’, dus waarom eronder staat ‘Bewerking: Theun de Vries’ is mij een raadsel, of hij moet het uit andere taal vertaald hebben, maar dan is

124 Proteus uit de werkplaats van de Ulixes-vertalers

Afbeelding
   Zo hebben wij de kleine Proteus-passage aangepakt, tussen 2008 en 2012. De aantekeningen die we voor onszelf maakten laat ik buiten beschouwing. Hieronder volgt louter het ontstaansproces van de uiteindelijke vertaling, getiteld Ulixes , inmiddels opnieuw licht herzien (het houdt nooit op) als Salamander-pocket uitgebracht, de vijfde druk. _____    Verwijzingen. James Joyce, Ulixes , vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2020 (2012).

123 De tweede Nederlandse Joyce-vertaler

Afbeelding
   De eerste Nederlandse Joyce-vertaler was dus niet in 1962 Max Schuchart met Het portret van de jonge kunstenaar maar in 1941 Theun de Vries met het Dubliners -verhaal ‘Eveline’.    Maar de tweede Nederlandse Joyce-vertaler was ook al niet in 1962 Max Schuchart met Het portret van de jonge kunstenaar – zie ik ineens op het plankele wankje Dichters en Aanverwanten – maar in 1961 John Vandenbergh!    Niet de John Vandenbergh die professor in de zoölogie is op de North Carolina State University, schrijver van onder andere de studie ‘Effects of the intrauterine position in litter-bearing mammals’ (2009) en ‘The house mouse in biomedical research’ (2008) – hoe interessant die werken ook zijn – maar dezelfde Jan Hendrik Willem Schlamilch die acht jaar later, in 1969, het feestelijke startschot zou geven voor een hele reeks Nederlandse Ulysses -vertalingen (tot op heden drie).    Acht jaar voordien dus, in 1961, publiceerde hij twee bladzijden eksperiementele vertaling van het duistere

122 Nogmaals Theun de Vries z’n Eveline

Afbeelding
   De duizend en één avond bevat zesentwintig verhalen in 222 bladzijden, dat wil zeggen dat bij een tempo van één verhaal per avond (ze zijn veelal heel kort) er een stuk of veertig delen hadden moeten uitkomen. Het is bij mijn weten bij zes delen gebleven, dus als je daar 1001 avond mee moet vullen, dan heb je een week voor elk verhaal, dat is minder dan een bladzijde per avond – ongeveer precies zoveel als de Nederlander gemiddeld leest in bed voor hij in slaap valt.    Van de zesentwintig verhalen zijn er twaalf vertalingen, die af en toe bewerkingen of navertellingen worden genoemd. De rest is oorspronkelijk Nederlands – en Vlaams. Theun de Vries schreef in de derde reeks een eigenhandig verhaal, Water en aarde , dus ik vermoed dat de Nederlandse auteurs (niet de Vlaamse) een verhaal mochten publiceren op voorwaarde dat ze ook een vertaling voor hun rekening namen. De buitenlandse auteurs worden achterin kort voorgesteld, waarschijnlijk door degene die zich op dat moment de groot

121 De eerste Nederlandse Joyce-vertaler

Afbeelding
   Theun de Vries ken ik alleen als vertaler, en dan alleen van één enkel boek, een ongelukkig vertaald kinderboek: Het gebochelde paardje van Pjotr Jersjov, dat in 1971 bij Progres in Moskou uitkwam – een dichtwerk van meer dan tweeduizend regels strak van rijm en ritme. Hoewel Jersjov altijd als auteur genoemd is, staat inmiddels wel vast dat de eerste versie, de eerste druk, helemaal of voor het grootste deel van de hand van Poesjkin is uit 1834. De versmaat is Poesjkins geliefde viervoetige trochee, de rijmparen zijn onveranderlijk afwisselend mannelijk en vrouwelijk, en hoewel Jersjov het verhaal dertig jaar na dato eigenhandig zwaar verminkt heeft met duizenden verslechterende veranderingen, aanvullingen, lolbroekerij en onbegrijpelijkheden, is het diep daaronder nog steeds vintage Poesjkin – waarvan bij Theun de Vries niets is overgebleven: ook de Jersjov-herschrijving bleef hoogst krukkig Nederlands.    Verder wist ik niets of vrijwel niets van Theun de Vries.    Ik wist bij

120 Een nieuwe herfst een nieuwe roeping

Afbeelding
   De roeping van de mens is mens te zijn en al het andere is mooi meegenomen. Waar je je geld mee verdient heet je beroep te zijn, maar is een leeuwentemmer de hele dag leeuwentemmer? Is een bergbeklimmer full-time bergbeklimmer? Of komt hij de berg ook wel eens af?    Een leugenaar is ook niet aanhoudend aan het liegen, netzomin als een moordenaar geen seconde zonder moorden plegen kan.    Toch heten ze allemaal zo. Van pelsdierenbevrijder tot puntlasser en van vogelzaadgroothandelaar tot assurantiemakelaar.    Het werkwoord ‘zijn’ – in de zin van ‘ik ben zus-en-zo’ is nodig aan revisie toe.    Ik vertaal, maar net zo goed schrijf ik nu een stukje en als ik niet vertaal loop ik met de kruiwagen boomschors te halen, of kijk ik naar de verpopping van een veenmol. Om maar te zwijgen van geiten, smijten, schijten en op een houtje bijten.    Dan kan ik me toch niet zomaar ‘vertaler’ noemen?    Iedereen moet maar een uniek beroep voor zichzelf uitzoeken, waaronder zijn hele hebben en

119 Misselike tonghe

Afbeelding
   De Hollandse standaardwoordenschat is ontstaan uit een amalgaam van invloeden. Vele regio’s droegen hun steentjes bij. Wat de ene taalbouwer niet zinde vond de andere daarentegen weer prima. De een baseerde zich op het Antwerps, de ander op het Nederduits voor een bovenregionale eenheidstaal.    Het Delftse Nieuwe Testament streefde naar een goed plat (dat is eenvoudig) Nederlands, zonder bastaardwoorden. De Lutherse bijbelvertalers kozen expres een algemene taal tussen het Hollands en Brabants in, ‘zo bondig en zuiver mogelijk’, die in heel Nederland gemakkelijk te lezen en begrijpen was.    Woorden die al te plaatselijk waren werden afgekeurd, wat niet belette dat ze uiteindelijk toch door genoeg mensen werden gekend en gebruikt om opgenomen te worden, niettegenstaande machteloos geknars van tanden van de boven ons gestelde beterweters.    Onaflaatbaar was hun ijver! Vanaf de renaissance verzonnen ze voor alles nieuwe woorden. Met het idee – en dat is het vermakelijke eraan – d