558 Braaien
Het raatsel van Braaien Kseg tegen me frientje Rop: ‘Kep een goeie van Braaien. ’n Raatseltje is het, geen mop, en je mag drie keer raaien. Tis de zoon van me moeder, (Tis egt moeilijk hoor, Rop!) maar tis niet me broer. Nou? Nou? Nou? Geef je het op? Je geeft het op, hè? Ja hè? Ik wist het! Je kan het niet raaien! Oké, dan zeg ik het, komt-ie: Het antwoord is: Braaien!’ ‘Braaien de zoon van je moeder?’ zegt Rop. ‘Je bent niet goed snik!’ ‘Ik snap het ook niet, zeg ik tegen Rop, maar het is wat-ie zei! Hij zei: Ik!’ _____ ‘Het is de zoon van mijn moeder maar het is niet mijn broer.’ Een mop met een baard als Sinterklaas en zijn paard. Maar moet hij daarom maar niet meer gemaakt worden? Alleen omdat hij oud is? Zijn dat geen abjecte ageïstische overwegingen? Zulke ouwe meuk is gezonken cultuurgoed, cultureel erfgoed, afgezonken zinkgoed, en zegt de wijsheid niet: Verwerp het slechte en behoud het goede? En dan nog, de mop is...