618 Oh, b——!
Ik draai me momenteel warm voor het vertalen van een rijk en talig kinderboek over een kudde van vierentwintig geiten die neergezet zijn onder een kasteel om dat overeind te houden. Ze houden het een jaar of zes uit voordat ze bij plukjes ontsnappen en er maar één, driepotige geit overblijft (Steve), die het kasteel, met daarin alleen nog de koning en zijn hoogste raadsman Ned, naar het woud brengt, waar het einde zich ontspint. Maar die geiten zijn nog niet het vreemdste fundament, dat is namelijk het feit dat er wel een verteller is, maar in plaats van alwetend is die nietswetend en hij vraagt zich voortdurend af waar het verhaal heen moet gaan, gezeten aan zijn wankele tafel met uitzicht op het dal waar het zich afspeelt. Hij kan ingrijpen, en doet dat af en toe ook, bijvoorbeeld door binnen de slotgracht van het kasteel een oude appelboom te plaatsen met eeuwig rijpe appels als voedsel voor de geiten. Of hij helpt het geitenhoedstertje (Bernad...