120 Een nieuwe herfst een nieuwe roeping

   De roeping van de mens is mens te zijn en al het andere is mooi meegenomen. Waar je je geld mee verdient heet je beroep te zijn, maar is een leeuwentemmer de hele dag leeuwentemmer? Is een bergbeklimmer full-time bergbeklimmer? Of komt hij de berg ook wel eens af?
   Een leugenaar is ook niet aanhoudend aan het liegen, netzomin als een moordenaar geen seconde zonder moorden plegen kan.
   Toch heten ze allemaal zo. Van pelsdierenbevrijder tot puntlasser en van vogelzaadgroothandelaar tot assurantiemakelaar.
   Het werkwoord ‘zijn’ – in de zin van ‘ik ben zus-en-zo’ is nodig aan revisie toe.
   Ik vertaal, maar net zo goed schrijf ik nu een stukje en als ik niet vertaal loop ik met de kruiwagen boomschors te halen, of kijk ik naar de verpopping van een veenmol. Om maar te zwijgen van geiten, smijten, schijten en op een houtje bijten.
   Dan kan ik me toch niet zomaar ‘vertaler’ noemen?
   Iedereen moet maar een uniek beroep voor zichzelf uitzoeken, waaronder zijn hele hebben en houwen en doen en laten kan vallen. En dat misschien in de verte iets te maken kan hebben (hoeft niet) met de dagtaak die hem het meest in beslag neemt.
   En waar vind je zulke unieke als beroeping dienstdoend kunnende woorden?
   Waar anders dan in Finnegans Wake.
   Ik heb voor mezelf alvast twee finnegancyclopedistische vertaliaanse visitekaartjes gemaakt. De eerste beroeping – vertalludering uit het Andermans (off Toptix) (cq uit Zinnix) is geplukt van bladzijde 419 regel 24-25, de tweede – de muterende imitator oftewel immutator, een fraaie beroepskeuzetestuitslag voor wie plezier heeft aan vertalen – van bladzijde 460, regel 12.
   Daar moet ik even mee vooruit kunnen.

Reacties

met onder meer de afgelopen maand

121 De eerste Nederlandse Joyce-vertaler

124 Proteus uit de werkplaats van de Ulixes-vertalers

123 De tweede Nederlandse Joyce-vertaler

122 Nogmaals Theun de Vries z’n Eveline