635 Over Addertje van Jolanda Kooijmans
[uit: De Nederlandse Boekengids, juni-juli 2026, 30-31.]
Uitgepoëtiseerde stripboeken
Mensen hebben de onhebbelijke hebbelijkheid om, gevraagd naar wat ze goed aan iets vinden, allereerst te beginnen te wijzen naar iets anders. Iets waaraan het ze doet denken. Iets waarmee ze het, denken ze, kunnen vergelijken. Het lijkt op... Het is als... Het doet denken aan... En dan volgt er iets wat het dus niet is, maar iets anders. Waarbij de vraag zich eigenlijk alleen maar verlegt: want waarom vind je dát dan weer zo goed of aansprekend? Uitleggen waarom je iets maar zozo vindt, of helemaal niks, is zoveel makkelijker dan afdoend en houtsnijdend afhameren waarom je iets geweldig vindt. Kraken zoveel simpeler dan smaken.
Ik heb dezelfde onhebbelijkheid. Ik was en ben helemaal gegrepen door de bundel Addertje van Jolanda Kooijmans: zelden zoiets duister-vrolijks gelezen, zelden zo van begin niet hebben kunnen ophouden met lezen maar toch de hele tijd alles het liefst zomogelijk drie keer ineens oculair tot me willen nemen. Maar met een mond vol tanden als je vraagt naar het hoezo, vertel, leg uit en kun je daar wat meer over vertellen misschien voor de Nederlandse Boekengids. Dan begin ik ook te wijzen.
Het deed me denken aan, het bracht me terug naar de Strabrechtse hei, zoals eerder het tweetalige (Dorsets en Engels) Orlam van PJ Harvey dat ook deed, al speelde dat verhaal zich af in haar geboortestreek: de stilte, de hitte, het levende van de natuur, de schaapskeutelsoep, het zand en de bunkers. De woorden van toen je vijf was. De rust onder de spanning en de spanning onder de rust. En toen deed het me denken aan de kinderblik die Kine Brettschreider voortovert in Trekpoptt, een Ig die vraagtt en klomt en durftt en godbetertt onderweg is naar de Rielsedijk. Kom ik er dan nooit weg, uit zuidoostnoordbrabant? Ook Ig heeft, net als Zuuz in Addertje, een eigen orthografie, eentje die wil zeggen: vanaf dit punt slechts toegang voor kinderen, volwassenen verboden toegang in deze heksenkring. En toen deed het me denken aan een andere eigenzinnige orthografe, Agnes de Graaf en haar Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen over bart die de appelpoes heeft opgegeten, het sgiltpatje en de nagtloopvogel – talloze gedichten moeten er van haar nog bij Van Oorschot liggen die olle Geert na dat eerste boek niet meer heeft willen uitgeven, schande over hem. En toen deed het me denken aan Het uur U van Martinus Nijhoff, maar daaraan doet alles me denken wat een kloppend en stralend geheel van langere adem is, in allerdwingendste maar losse en vrije mensentaal geschreven en dat ik ademloos lees, liefst nog als er hoe- of zogenaamd niets in gebeurt.
En toen deed het me denken, de vier verhalen in Addertje, door de intensiteit waarmee ik de ze las en ook de manier waarop ze verteld worden, aan een ander fenomeen van toen ik klein was maar dat ik intussen bij lange na niet afgeschud heb of zelfs maar wil afschudden, maar waar ik integendeel nog dagelijks naar reik, namelijk strips. Ja, dacht ik, het lijken wel strips! De verhalen zijn doorgepoëtiseerde, uitgepoëtiseerde stripboeken! (En mijn hart sprong op.) Strips komen in Addertje ook lijfelijk voor, in de vorm van zes Suske en Wiske-albums (alle zes niet-allitererend) in het vierde en slotverhaal over Constant de Klos (ook een mooie stripnaam overigens, à la Olivier Blunder en Guust Flater) en in datzelfde verhaal ontmoeten we ook vissen, als de trein van Eindhoven naar Rotterdam met daarin de striplezende Constant (we krijgen ook te weten wat hij op diverse momenten leest) en in dezelfde coupé de Satan (een watersatan, met zuignappen), die in Breda (de Satan) luttele fracties van seconden – zo lang als de stok van de tambour-maître van de zich op het perron ophoudende Koninklijke Harmonie Sint Cecilia in de lucht blijft hangen – de trein, het station, de stad en de aarde verlaat, drie keer op zijn vingers fluit en vervolgens schielijks weer plaatsneemt maar nu aan de andere kant van het gangpad, recht tegenover Constant, in Constants persoonlijke ruimte, zich van de brug over het Hollands Diep in het Hollands Diep stort (de trein), het onderwaterse hellegat in dat zich daar achter een hermetische deur bevindt en dat met zijn interessante, barokke architectuur wel wat aan de stationshal van Antwerpen-Centraal doet denken, behalve dat er vissen op een houten plaatje gespijkerd aan de wanden hingen (netjes waterpas) met naambordjes erbij (steur, elft, diklipharder, donderpad), en die vissen (die nog een beetje leven) spreken Constant enigszins bozig toe, en dan staat er (bovenstaande staat ook allemaal soms woordelijk in Constant, maar is hier onvergeeflijk verkort weergegeven) dat ze dat deden met hun tekstballon – en inderdaad, als deze door de schrijfster gegeven clou ontkiemd en uitgebroed is en het kwartje (oude munteenheid t.w.v. 25 cent) gevallen, lijkt iedere bladzijde van deze verhalen inderdaad sterk te corresponderen met een plaatje in een stripboek (of een strookje soms), zo beeldend en spannend en doorlopend is het opgeschreven, en vooral geestig in de zin van grappig in de zin van dat je voortdurend glimlacht op momenten dat je niet hardop lacht.
Kooijmans lijkt een niet-bestaand (immers zelfverzonnen, je bent auteur of je bent het niet) stripboek na te vertellen, en wel – daaraan deed het me toen denken – op de manier waarop Meneerke Plagiaat de Suske en Wiske krantenstrip van De rosse reus navertelt in Kamagurka’s De tintelende titel, (net als Addertje eindeloos te herlezen) waarbij hij (Meneerke Plagiaat) voor elk plaatje van Studio Vandersteen zelf tussen de vier en zes van zijn eigen plaatjes nodig heeft (gemiddeld) en dus van meet af aan tegen een onoverbrugbare, niet meer in te halen, onmiddellijk exponentieel exploderende achterstand oploopt, maar dat geeft niet want het verhaal wordt er alleen maar beter, leuker en spannender van in het tempo dat het verdient, traag maar meeslepend, in een bijna proustiaanse belichting zelfs, want in de details schuilen de addertjes. Vooral niet te snel!
In strips, en dat is het mooie ervan, kunnen verschillende dingen tegelijkertijd gebeuren, namelijk op één plaatje, terwijl je in prozatekst overgeleverd bent aan de lineariteit van de woordvolgorde. Je kan dan wel prozaïsch schrijven dat bepaalde dingen zich tegelijkertijd afspelen, maar intussen moet je alles hoe je het ook wendt of keert van woord tot woord lezen, hapje voor hapje tot je nemen, en pas in je centrale buitenwereldverwerkingseenheid worden de disparate onderdelen aan elkaar gesmeed en krijg je een idee van verloop en geheel. Wat een intellectuele inspanning is, in tegenstelling tot wat er in de werkelijke werkelijkheid en in strips gebeurt, want daar is het alles ineens: patsboem op je bolle ogen.
Maar hoe kunnen de vier verhalen in Addertje dan strips zijn, opgebouwd als ze zijn uit woorden? Hoe zit dat? Hoe wordt dat voor elkaar gekregen? Wat is dat voor zwarte madammenmagie? Who can that? Nou, Jolanda Kooijmans dus.
Ik ontkom er niet aan om althans iets te citeren, zodat a) misschien duidelijk wordt waarover ik hallucineer en b) er toch iets in dit stuk staat waar de lezer zich een indruk mee kan vormen van Addertje en waarin ik niet wijs naar waar het op lijkt, maar laat zien wat het is. Maar citeren waaruit? Uit het titelverhaal, met Moedermeer en Naaktslak? Uit Zuuz en haar reutelend stervende ome Drie? Een scène uit Bubblebeez verhalala over heerneefs vliegombromde knapenschennende wiplid? Of blijf ik bij Constant om niet al te zeer te zwalken? Het is vrijwel onmogelijk om iets hieruit uit de context te lichten omdat het doorlopende verhalen zijn, maar kijk en lees, als Constant in het hermetische hellegat bozig is aangekeken door de opgehangen vissen is het volgende plaatje (is de volgende strofe) dit:
als Constant nog een klein stukje verder was gelopen
dan had hij de lange gang met menselijke lichamen kunnen zien
opgezet en bijgezet
sommige al duizenden jaren oud
sommige nog in pico bello staat
want vakmanschap is meesterschap
maar Constants oog werd getrokken door een zwart gordijn
En wie wil weten wat zich achter dat zwart gordijn bevindt en hoe dit afloopt, die zal Addertje er zelf op moeten naslaan. Hetgeen, wil ik er ten overvloede nog over kwijt, geen straf is.
_____
Jolanda Kooijmans, Addertje, Koppernik 2025, 152 blz. isbn 9789083463551. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.
Uitgepoëtiseerde stripboeken
Mensen hebben de onhebbelijke hebbelijkheid om, gevraagd naar wat ze goed aan iets vinden, allereerst te beginnen te wijzen naar iets anders. Iets waaraan het ze doet denken. Iets waarmee ze het, denken ze, kunnen vergelijken. Het lijkt op... Het is als... Het doet denken aan... En dan volgt er iets wat het dus niet is, maar iets anders. Waarbij de vraag zich eigenlijk alleen maar verlegt: want waarom vind je dát dan weer zo goed of aansprekend? Uitleggen waarom je iets maar zozo vindt, of helemaal niks, is zoveel makkelijker dan afdoend en houtsnijdend afhameren waarom je iets geweldig vindt. Kraken zoveel simpeler dan smaken.
Ik heb dezelfde onhebbelijkheid. Ik was en ben helemaal gegrepen door de bundel Addertje van Jolanda Kooijmans: zelden zoiets duister-vrolijks gelezen, zelden zo van begin niet hebben kunnen ophouden met lezen maar toch de hele tijd alles het liefst zomogelijk drie keer ineens oculair tot me willen nemen. Maar met een mond vol tanden als je vraagt naar het hoezo, vertel, leg uit en kun je daar wat meer over vertellen misschien voor de Nederlandse Boekengids. Dan begin ik ook te wijzen.
Het deed me denken aan, het bracht me terug naar de Strabrechtse hei, zoals eerder het tweetalige (Dorsets en Engels) Orlam van PJ Harvey dat ook deed, al speelde dat verhaal zich af in haar geboortestreek: de stilte, de hitte, het levende van de natuur, de schaapskeutelsoep, het zand en de bunkers. De woorden van toen je vijf was. De rust onder de spanning en de spanning onder de rust. En toen deed het me denken aan de kinderblik die Kine Brettschreider voortovert in Trekpoptt, een Ig die vraagtt en klomt en durftt en godbetertt onderweg is naar de Rielsedijk. Kom ik er dan nooit weg, uit zuidoostnoordbrabant? Ook Ig heeft, net als Zuuz in Addertje, een eigen orthografie, eentje die wil zeggen: vanaf dit punt slechts toegang voor kinderen, volwassenen verboden toegang in deze heksenkring. En toen deed het me denken aan een andere eigenzinnige orthografe, Agnes de Graaf en haar Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen over bart die de appelpoes heeft opgegeten, het sgiltpatje en de nagtloopvogel – talloze gedichten moeten er van haar nog bij Van Oorschot liggen die olle Geert na dat eerste boek niet meer heeft willen uitgeven, schande over hem. En toen deed het me denken aan Het uur U van Martinus Nijhoff, maar daaraan doet alles me denken wat een kloppend en stralend geheel van langere adem is, in allerdwingendste maar losse en vrije mensentaal geschreven en dat ik ademloos lees, liefst nog als er hoe- of zogenaamd niets in gebeurt.
En toen deed het me denken, de vier verhalen in Addertje, door de intensiteit waarmee ik de ze las en ook de manier waarop ze verteld worden, aan een ander fenomeen van toen ik klein was maar dat ik intussen bij lange na niet afgeschud heb of zelfs maar wil afschudden, maar waar ik integendeel nog dagelijks naar reik, namelijk strips. Ja, dacht ik, het lijken wel strips! De verhalen zijn doorgepoëtiseerde, uitgepoëtiseerde stripboeken! (En mijn hart sprong op.) Strips komen in Addertje ook lijfelijk voor, in de vorm van zes Suske en Wiske-albums (alle zes niet-allitererend) in het vierde en slotverhaal over Constant de Klos (ook een mooie stripnaam overigens, à la Olivier Blunder en Guust Flater) en in datzelfde verhaal ontmoeten we ook vissen, als de trein van Eindhoven naar Rotterdam met daarin de striplezende Constant (we krijgen ook te weten wat hij op diverse momenten leest) en in dezelfde coupé de Satan (een watersatan, met zuignappen), die in Breda (de Satan) luttele fracties van seconden – zo lang als de stok van de tambour-maître van de zich op het perron ophoudende Koninklijke Harmonie Sint Cecilia in de lucht blijft hangen – de trein, het station, de stad en de aarde verlaat, drie keer op zijn vingers fluit en vervolgens schielijks weer plaatsneemt maar nu aan de andere kant van het gangpad, recht tegenover Constant, in Constants persoonlijke ruimte, zich van de brug over het Hollands Diep in het Hollands Diep stort (de trein), het onderwaterse hellegat in dat zich daar achter een hermetische deur bevindt en dat met zijn interessante, barokke architectuur wel wat aan de stationshal van Antwerpen-Centraal doet denken, behalve dat er vissen op een houten plaatje gespijkerd aan de wanden hingen (netjes waterpas) met naambordjes erbij (steur, elft, diklipharder, donderpad), en die vissen (die nog een beetje leven) spreken Constant enigszins bozig toe, en dan staat er (bovenstaande staat ook allemaal soms woordelijk in Constant, maar is hier onvergeeflijk verkort weergegeven) dat ze dat deden met hun tekstballon – en inderdaad, als deze door de schrijfster gegeven clou ontkiemd en uitgebroed is en het kwartje (oude munteenheid t.w.v. 25 cent) gevallen, lijkt iedere bladzijde van deze verhalen inderdaad sterk te corresponderen met een plaatje in een stripboek (of een strookje soms), zo beeldend en spannend en doorlopend is het opgeschreven, en vooral geestig in de zin van grappig in de zin van dat je voortdurend glimlacht op momenten dat je niet hardop lacht.
Kooijmans lijkt een niet-bestaand (immers zelfverzonnen, je bent auteur of je bent het niet) stripboek na te vertellen, en wel – daaraan deed het me toen denken – op de manier waarop Meneerke Plagiaat de Suske en Wiske krantenstrip van De rosse reus navertelt in Kamagurka’s De tintelende titel, (net als Addertje eindeloos te herlezen) waarbij hij (Meneerke Plagiaat) voor elk plaatje van Studio Vandersteen zelf tussen de vier en zes van zijn eigen plaatjes nodig heeft (gemiddeld) en dus van meet af aan tegen een onoverbrugbare, niet meer in te halen, onmiddellijk exponentieel exploderende achterstand oploopt, maar dat geeft niet want het verhaal wordt er alleen maar beter, leuker en spannender van in het tempo dat het verdient, traag maar meeslepend, in een bijna proustiaanse belichting zelfs, want in de details schuilen de addertjes. Vooral niet te snel!
In strips, en dat is het mooie ervan, kunnen verschillende dingen tegelijkertijd gebeuren, namelijk op één plaatje, terwijl je in prozatekst overgeleverd bent aan de lineariteit van de woordvolgorde. Je kan dan wel prozaïsch schrijven dat bepaalde dingen zich tegelijkertijd afspelen, maar intussen moet je alles hoe je het ook wendt of keert van woord tot woord lezen, hapje voor hapje tot je nemen, en pas in je centrale buitenwereldverwerkingseenheid worden de disparate onderdelen aan elkaar gesmeed en krijg je een idee van verloop en geheel. Wat een intellectuele inspanning is, in tegenstelling tot wat er in de werkelijke werkelijkheid en in strips gebeurt, want daar is het alles ineens: patsboem op je bolle ogen.
Maar hoe kunnen de vier verhalen in Addertje dan strips zijn, opgebouwd als ze zijn uit woorden? Hoe zit dat? Hoe wordt dat voor elkaar gekregen? Wat is dat voor zwarte madammenmagie? Who can that? Nou, Jolanda Kooijmans dus.
Ik ontkom er niet aan om althans iets te citeren, zodat a) misschien duidelijk wordt waarover ik hallucineer en b) er toch iets in dit stuk staat waar de lezer zich een indruk mee kan vormen van Addertje en waarin ik niet wijs naar waar het op lijkt, maar laat zien wat het is. Maar citeren waaruit? Uit het titelverhaal, met Moedermeer en Naaktslak? Uit Zuuz en haar reutelend stervende ome Drie? Een scène uit Bubblebeez verhalala over heerneefs vliegombromde knapenschennende wiplid? Of blijf ik bij Constant om niet al te zeer te zwalken? Het is vrijwel onmogelijk om iets hieruit uit de context te lichten omdat het doorlopende verhalen zijn, maar kijk en lees, als Constant in het hermetische hellegat bozig is aangekeken door de opgehangen vissen is het volgende plaatje (is de volgende strofe) dit:
als Constant nog een klein stukje verder was gelopen
dan had hij de lange gang met menselijke lichamen kunnen zien
opgezet en bijgezet
sommige al duizenden jaren oud
sommige nog in pico bello staat
want vakmanschap is meesterschap
maar Constants oog werd getrokken door een zwart gordijn
En wie wil weten wat zich achter dat zwart gordijn bevindt en hoe dit afloopt, die zal Addertje er zelf op moeten naslaan. Hetgeen, wil ik er ten overvloede nog over kwijt, geen straf is.
Jolanda Kooijmans, Addertje, Koppernik 2025, 152 blz. isbn 9789083463551. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.



Reacties
Een reactie posten