627 Paardje-Bochelaartje (fragment)

We gaan hier op het blog niet heel Paardje-Bochelaartje lezen, daar heb je het boek voor, te verkrijgen via de boekhandel en via uitgeverij Pegasus. Het eerste van de drie delen staat overigens – in een vroeger vertaalde versie – ook in Bij mij op de maan, uitgegeven door Van Oorschot in 2016. Om een indruk te geven van het epos (664 + 812 + 820 regels) geef ik hieronder het begin van het tweede deel, hier en daar licht aangepast ten opzichte van de boekuitgave van 2019. (Alle corrigenda voor de tweede druk, voorzien voor het najaar van Sint-Juttemis, staan onderaan deze blog.)
Deel II

         ‘Snel verteld is een verhaaltje,
         Maar voor puntje is bij paaltje ...’

   Hier gaat de geschiedenis
Van Ivan – geen kattenpis –
Verder, en die van zijn paardje,
Zijn verknochte Bochelaartje.
Geiten grazen op het strand,
Paarden stijgen op van land,
Bossen staan onder mijn voeten,
Die de wolken boven groeten ...
(Luidt het voorsprookje nog maar:
Even nog, dan is het klaar.)
Langs het eilandrijk Boejaan en
Over zeeën-oceanen,
In een doodskist in het woud,
Ligt een meisje wit en koud.
Nachtegalen in de struiken,
Wilde beesten snuiven, ruiken ...
Zo, het voorsprookje is klaar,
Sprookje-zelf, begin nu maar ...

   Jullie zagen dus hierboven,
Christenvolk van goed gelove,
Hoe de held zich koen en wijs
Nestelde in het paleis.
Hij werd overste der paarden
En aan niets denkt hij op aarde
Minder dan aan broers en pa
In al zijn luxe – ga maar na!
Zonder broers zit hij op rozen:
Kleren heeft Ivan tien dozen,
Met borduursel, prachtig mooi,
Rood en bont, een pauwentooi.
Hij eet lekker en kan slapen,
Dat zelfs apen ervan gapen!

   Na vijf weken ongeveer
Merkte plots de kamerheer ...
Die meneer was tussen haakjes
Overste der paardenzaakjes
Vóór Ivan daar werd geplant,
Een bojaar, een heer van stand.
Scheel van afgunst op de jongen
Zwoer hij bij zijn hart en longen
Dat hij zijn rivaal heel gauw
Van het hof verjagen zou,
Maar om niets te laten merken
Van zijn gluiperige werken
Deed de booswicht, ook niet dom,
Of hij doof was, blind en stom,
Denkend: Wacht jij maar, warharig
Vriendje, jij bent nog niet jarig!
Na een week of vijf, niet meer
Merkte dus de kamerheer
Dat Ivan zijn span nooit boende,
Trainde, borstelde of zoende.
Desondanks, van staart tot snuit,
Zagen ze er glanzend uit,
Glad geroskamd, vrijgevochten,
Manen fonkelend gevlochten
Met hun kuifje in een knot,
Vacht als zijde – een genot;
In de ruif lag verse tarwe,
Geurend in gebonden garven,
Honingwater in de trog,
Schuimend vers en zoet als zog ...
‘Zeg, wat is dit voor parabel’,
(Peinst de kamerheer,) ‘of fabel?
Zijn het, wat je wel eens leest,
De kaboutertjes geweest?
Wacht, ik ga die dwaas beloeren
En dan zal ik hem zo moeren,
Werk hem zo in de puree
Dat hij zich verzuipt in zee.
Ik zorg dat er zat bewijs is
Dat die jongen niet goed wijs is,
Niet van hier, een alchemist,
’n Magiër, de antichrist!’

   Toen de nacht begon te vallen
Kroop de ex-meester der stallen
Stiekem in de voederkooi
En bestrooide zich met hooi.

   Middernacht. De stal gaat open
En Ivan komt binnenlopen,
Zonder lampje, zonder kaars,
Zingend van het land der Tsaars,
Sluit de staldeur met twee schuiven,
Wandelt naar de paardenruiven,
Legt zijn muts onder het raam,
Pakt daaruit de lappenkraam
Met de veer, ietsje gekreukeld,
Van de Vuurvogel z’n vleugel,
En meteen scheen er zo’n licht,
Dat, totaal verblind van zicht,
De spion van angst zo rilde
Dat het hooi zijn lijf af trilde.
Maar Ivan, die dat net mist,
Legt zijn vuurveer op een kist
En gaat kalm zijn paardjes soppen,
Kammen, borstelen, bekloppen,
Vlecht hun haar en – tiedelie –
Zingt erbij, een potpourri.
Is hij klaar met paarden pappen,
Gaat de veer weer in de lappen,
En daar snurkt hij al, Ivan,
Op de grond achter het span.

   Bij het eerste ochtendgloren
Piept de gluurder door het koren.
Als hij ziet hoe diep Ivan,
Als een blok, slaapt bij het span,
Komt hij van zijn plek gekropen,
Zachtjes naderbij geslopen ...
Grist de muts weg, springt opzij,
Door het raam en weg is hij. [...]

[wordt vervolgd]
_____

Bovenstaande is het begin van deel 2 van Aleksandr Poesjkin, Paardje Bochelaartje | Konek-Gorboenok (voorheen toegeschreven aan Pjotr Jersjov), vertaald naar de eerste uitgave en toegelicht door Robbert-Jan Henkes, met de illustraties van Joeri Vasnetsov uit 1934 en 1941, Slavische Cahiers 35, Uitgeverij Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, Amsterdam 2019.
_____

In de boekuitgave dienen in de tweede druk de volgende verbeteringen te worden aangebracht: 25.5-6: En de oudste van zijn zonen / Was een snugger manspersoon en -> Zonen had hij drie: de eerste / Was de wijste en geleerdste, # 37.21: Jij hardwerkend volk -> Jij je grote broers # 39.32: lange stugge -> lange stugge. # 45.28: ravenzwarte paardjes! -> ravenzwarte paardjes # 58, regel 512 R: стоять -> стоят # 63.6: gebruld -> geluld # 65.13: zwepen. -> zwepen # 73.10: niet meer -> niet meer, # 73.11: Merkte toen -> Merkte dus # 73.30: de puree -> de puree, # 74, regel 80 R: конюшну -> конюшню # 77.24: Heer hierboven -> Heere boven # 85.12: opgepannegieterd -> opgesodemieterd # 91.14: Vraagt Ivan -> Vraagt de dwaas # 99.19: Was Van de -> Heette Van de # 101.24: zoet zingend -> zingzangend # 105.14: Opgepannegieterd -> Opgesodemieterd # 122, regel 803, R: впередию -> впереди. # 139.15: Die hun vraagt -> Die ze vraagt # 149.21: dra ontboden -> dra ontboden, # 155.28: ik ben moe! -> ben ik moe! # 157.23: Tsaar-Mejuffers ring -> Tsaar-Mejuffers ring – # 163.6: jouw grijze haar -> jouw grijze haar,
_____

De illustraties zijn de veertien anonieme illustraties uit de uitgave van 1843.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

632 Onleesbaar

630 De heilige simpelheid

631 De weg die niet de weg is

629 Ruggetjes

625 Eitsi-Heibib, of De dageraad der mensheid, of De gezongen petrogliefen van Jelangasj (deel 5 en slot)

628 De rampzalige vierde druk

626 Wie schreef Paardje-Bochelaartje?

345 Register & Inhoud VandaagsVertaalProbleem (cumulatief)

546 Nijhoff verhusseld