617 Gulliver met driehonderd: de storm
Kapitein Gulliver kreeg na publicatie van zijn zeereizen de kritiek dat zijn zeemanstaal niet deugde. Die dwergen en die reuzen, oké, geen probleem. Een vliegend eiland, daar zit ook niemand mee. Een met rede begaafd paardenvolk, what else is new? Maar dat Gulliver niet-kloppend of niet meer gebezigd nautisch jargon zou bezigen, daar viel men over. Gulliver verdedigde zich door te zeggen dat hij – de jongste niet meer – de termen gebruikte die hij zelf op de grote vaart had geleerd van de oudste en meest ervaren pikbroeken. Dus dat het wel degelijk klopte, alleen zijn zee-Yahoos geneigd, net als land-Yahoos, telkens nieuwe woorden en uitdrukkingen te verzinnen. Zo erg is het, zei hij, dat hij merkte, dat wanneer een Yahoo hem uit Londen uit nieuwsgierigheid kwam bezoeken, zij geen van beiden in staat waren hun denkbeelden op een voor elkaar begrijpelijke wijze uiteen te zetten. De kritiek richtte zich op één enkele paragraaf aan het begin van de reis die Gulliver uiteindelijk in Brobdingnag zal doen belanden. Ik laat hem hier volgen.
Finding it was likely to overblow, we took in our sprit-sail, and stood by to hand the fore-sail; but making foul weather, we looked the guns were all fast, and handed the mizen. The ship lay very broad off, so we thought it better spooning before the sea, than trying or hulling. We reefed the fore-sail and set him, and hauled aft the fore-sheet; the helm was hard a-weather. The ship wore bravely. We belayed the fore down-haul; but the sail was split, and we hauled down the yard, and got the sail into the ship, and unbound all the things clear of it. It was a very fierce storm; the sea broke strange and dangerous. We hauled off upon the laniard of the whip-staff, and helped the man at the helm. We would not get down our topmast, but let all stand, because she scudded before the sea very well, and we knew that the top-mast being aloft, the ship was the wholesomer, and made better way through the sea, seeing we had sea-room. When the storm was over, we set fore-sail and main-sail, and brought the ship to. Then we set the mizen, main-top-sail, and the fore-top-sail. Our course was east-north-east, the wind was at south-west. We got the starboard tacks aboard, we cast off our weather-braces and lifts; we set in the lee-braces, and hauled forward by the weather-bowlings, and hauled them tight, and belayed them, and hauled over the mizen tack to windward, and kept her full and by as near as she would lie.
Twaalf regels, 259 woorden, en het aardige is: ze zijn rechtstreeks overgeschreven (overgenomen, gestolen, gejat), als description trouvée uit een stuk in The Mariners Magazine, or Sturmy’s Mathematical and Practical Arts van kapitein Samuel Sturmy uit 1669, een omvangrijk nautisch en mathematisch handboek, juist vanwege de ondoorgrondelijke terminologie. Hoe dit te vertalen? Niet eenvoudig! Dr. Cornelis van Blankesteijn kort in 1727 aanmerkelijk in en versimpelt (138); de anonymus van 1792 houdt er één regeltje van over (2-3); Mosselmans in 1862 schrapt de hele passage en verantwoordt zich voetnotair zo (154):
In het oorspronkelijke volgt hier de beschrijving van een storm, bij welke gelegenheid Swift in een twintigtal regels zooveel zeetermen te pas en te onpas bezigt, als maar mogelijk is. Deze beschrijving is een navolging van Rabelais (Livre IV, ch. 18), en voor den gewonen lezer even onverstaanbaar. Ik heb dus gemeend ze gevoegelijk te kunnen weglaten.
Schaamte, waar is uw zuidwester! Blom in 1940 schrapt zowat het halve hoofdstuk hier (103); Davids in 1974 vertaalt het helemaal en naar betekenis, waarbij het wellicht al te begrijpelijk wordt (86); hetzelfde geldt voor Van Nimwegen in 1979 (71-72), en voor Syrier in 2004 (100): hun vocabularium klinkt veel minder buitenissig dan het Engels.
Maar goed, de beste stuurlui staan aan wal, dus dat moest ik ook kunnen, een onmogelijk jargoense stormbeschrijving trouveren. Ik sloeg er de reis van Willem IJsbrantsz. Bontekoe op na met daarin dezelfde reis uit 1625 beschreven door Dirck Albertsz. Raven, alsook Jakob Cornelisz. van Neck en zijn beschrijving van de tweede Oost-Indiëreis uit 1598-1600. Wel alweer rond een eeuw verleden tijd toen Gulliver het zeegat koos, maar een kniesoor die daarom maalt (dacht ik – luttel bevroedende dat ik in mijn uitgever precies zo’n kniesoor had...). Dus ik las en maakte aantekeningen van mij onbekende termen en frasen en hele zinnen en die knipte en plakte ik zo goed mogelijk aan elkaar, zodat je meegevoerd werd op de baren met het idee dat hier een door de wol geverfde zeerot aan het woord was. Leemtes vulde ik op met aangekruiste lemmata uit het nautisch woordenboek Zeemanstaal van J.F. Viëtor en uit de bloemlezing van zeemansliedjes en verzen uit vele eeuwen De zingende walvisch, vezameld door Benjamin Cooper en J.W.F. Werumeus Buning. Alle vier boeken die ik gelukkig uit mijn boekenkast kon plukken, alsof ik dit moment al veertig jaar lang voorzien had. Alsof de boeken hierop hadden staan wachten op hun onderscheidene planken. Dit is mijn beschrijving van de storm, die er mag wezen, mijns inziens, ja bloedstollend is.
Het weer werd nu zeer onstuimig en het waaide zo stijf, dat wij met het idee de storm af te rijden de fok met de blinde innamen, ze goed dicht besloegen en strak tegen de ra’s sjorden. Maar zelfs voor een gereefde stormfok en voor de blinde konden wij het kompas op geen acht streken gaande houden. We legden het schip onder zee en gingen met de kop op de wind liggen, de steven zuidwaarts over. De zee kookte. Het regende nu zo hard dat het leek alsof de lucht en de zee aan elkaar vast zaten. We slingerden geweldig, en vrezende dat we zouden omslaan, namen we het marszeil in en stonden klaar om de kluiver te reven en met kaal tuig voor top en takel voor de wind weg te lopen. Er kwam zoveel water over dat het halve boevenet gevuld was en het volk al meende dat de boegpoorten open stonden. Door het oprekken van ons grootwant (ofschoon we het op twee plaatsen gezwicht hadden) dreigde onze grote mast omtrent vijf vadem boven het boevenet te breken. We besloten daarom onze grote steng door te schieten om zo mogelijk de mast nog staande te houden, aangezien onze reis er van afhing. Met veel pijn en moeite kregen we de steng omlaag, die we met de onderkant door het bovenste boevenet schoten, en woelden de steng met touw strak op de mast, waardoor hij tot ons aller blijdschap vast kwam te staan. We lagen nu eens westwaarts dan weer zuidwaarts over, al naar gelang de wind schevielde. Toen de storm was gaan liggen, zetten wij onze mast goed vast; talieden ons grootwant met takels stijf aan; haalden het grote marszeil uit de mars met de marsree en hesen dat bij wijze van grootzeil, waarop wij onze reis konden vervolgen.
Twaalf regels en 301 woorden, en: onbegrijpelijk. Maar daar had ik buiten de waard gerekend. Want mijn uitgever was in zijn jeugdige jaren geducht varensgast op de woeste wilde baren der zeven zeeën, en toen hij dit las, deze stormbeschrijving, kreeg hij het zuur achter zijn zeemanshart. Er klopt niks van! Dingen die eerder moeten komen later, onmogelijke handelingen worden verricht, onnodige ook. Waren het meerdere stormen in elkaar getelescopeerd? Waar had ik het vandaan?
Ik stelde hem voor om zelf een stormbeschrijving te maken die zich met die van Gulliver kon meten, en zie, hij nam de storm challenge aan en kwam met iets wat wel klopte:
Vrezende dat de blinde overboord zou gaan namen we die in en stonden klaar om de fok aan te slaan; maar bemerkende dat het zeer onstuimig weer werd, vergewisten we ons eerst dat de kanonnen ampel gesjord waren, en sloegen toen de bezaan aan. Omdat we dwars op de golven kwamen te liggen besloten we voor top en takel weg te lopen in plaats van bij te draaien of ons willoos aan de elementen over te geven. We hesen vervolgens een gereefde fok en trokken de schoot stevig vast; het schip was zwaar loefgierig maar hield zich kranig. We belegden de val van de fok maar omdat het zeil gescheurd was brachten we de ra omlaag en haalden het binnen. De storm was hevig en de golven braken gevaarlijk onvoorspelbaar. Om de roerganger te helpen trokken we uit alle macht aan de taliereep van de kolderstok. We wilden onze marssteng niet strijken, want het schip lensde goed en we wisten dat het met de mast omhoog stabieler door de golven ploegde en we bovendien alle ruimte hadden om te manoeuvreren. Toen de storm was gaan liggen, hesen we fok en grootzeil om het schip bij te draaien, en zetten vervolgens bezaan, grootmarszeil en voormarszeil bij. Onze koers was oostnoordoost, de wind kwam uit het zuidwesten. We trokken de halstalies aan, gooiden loefbrassen en -vallen los, trimden de zeilen met lijbrassen en boelijnen, en met de bezaanschoot over loef zeilden we zo scherp mogelijk aan de wind.
Tien regels en 246 woorden, helemaal puik. Dank je wel, Mark, ouwe zeebonk!
_____
De illustraties zijn afkomstig uit The Mariners Magazine. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.
Finding it was likely to overblow, we took in our sprit-sail, and stood by to hand the fore-sail; but making foul weather, we looked the guns were all fast, and handed the mizen. The ship lay very broad off, so we thought it better spooning before the sea, than trying or hulling. We reefed the fore-sail and set him, and hauled aft the fore-sheet; the helm was hard a-weather. The ship wore bravely. We belayed the fore down-haul; but the sail was split, and we hauled down the yard, and got the sail into the ship, and unbound all the things clear of it. It was a very fierce storm; the sea broke strange and dangerous. We hauled off upon the laniard of the whip-staff, and helped the man at the helm. We would not get down our topmast, but let all stand, because she scudded before the sea very well, and we knew that the top-mast being aloft, the ship was the wholesomer, and made better way through the sea, seeing we had sea-room. When the storm was over, we set fore-sail and main-sail, and brought the ship to. Then we set the mizen, main-top-sail, and the fore-top-sail. Our course was east-north-east, the wind was at south-west. We got the starboard tacks aboard, we cast off our weather-braces and lifts; we set in the lee-braces, and hauled forward by the weather-bowlings, and hauled them tight, and belayed them, and hauled over the mizen tack to windward, and kept her full and by as near as she would lie.
Twaalf regels, 259 woorden, en het aardige is: ze zijn rechtstreeks overgeschreven (overgenomen, gestolen, gejat), als description trouvée uit een stuk in The Mariners Magazine, or Sturmy’s Mathematical and Practical Arts van kapitein Samuel Sturmy uit 1669, een omvangrijk nautisch en mathematisch handboek, juist vanwege de ondoorgrondelijke terminologie. Hoe dit te vertalen? Niet eenvoudig! Dr. Cornelis van Blankesteijn kort in 1727 aanmerkelijk in en versimpelt (138); de anonymus van 1792 houdt er één regeltje van over (2-3); Mosselmans in 1862 schrapt de hele passage en verantwoordt zich voetnotair zo (154):
In het oorspronkelijke volgt hier de beschrijving van een storm, bij welke gelegenheid Swift in een twintigtal regels zooveel zeetermen te pas en te onpas bezigt, als maar mogelijk is. Deze beschrijving is een navolging van Rabelais (Livre IV, ch. 18), en voor den gewonen lezer even onverstaanbaar. Ik heb dus gemeend ze gevoegelijk te kunnen weglaten.
Schaamte, waar is uw zuidwester! Blom in 1940 schrapt zowat het halve hoofdstuk hier (103); Davids in 1974 vertaalt het helemaal en naar betekenis, waarbij het wellicht al te begrijpelijk wordt (86); hetzelfde geldt voor Van Nimwegen in 1979 (71-72), en voor Syrier in 2004 (100): hun vocabularium klinkt veel minder buitenissig dan het Engels.
Maar goed, de beste stuurlui staan aan wal, dus dat moest ik ook kunnen, een onmogelijk jargoense stormbeschrijving trouveren. Ik sloeg er de reis van Willem IJsbrantsz. Bontekoe op na met daarin dezelfde reis uit 1625 beschreven door Dirck Albertsz. Raven, alsook Jakob Cornelisz. van Neck en zijn beschrijving van de tweede Oost-Indiëreis uit 1598-1600. Wel alweer rond een eeuw verleden tijd toen Gulliver het zeegat koos, maar een kniesoor die daarom maalt (dacht ik – luttel bevroedende dat ik in mijn uitgever precies zo’n kniesoor had...). Dus ik las en maakte aantekeningen van mij onbekende termen en frasen en hele zinnen en die knipte en plakte ik zo goed mogelijk aan elkaar, zodat je meegevoerd werd op de baren met het idee dat hier een door de wol geverfde zeerot aan het woord was. Leemtes vulde ik op met aangekruiste lemmata uit het nautisch woordenboek Zeemanstaal van J.F. Viëtor en uit de bloemlezing van zeemansliedjes en verzen uit vele eeuwen De zingende walvisch, vezameld door Benjamin Cooper en J.W.F. Werumeus Buning. Alle vier boeken die ik gelukkig uit mijn boekenkast kon plukken, alsof ik dit moment al veertig jaar lang voorzien had. Alsof de boeken hierop hadden staan wachten op hun onderscheidene planken. Dit is mijn beschrijving van de storm, die er mag wezen, mijns inziens, ja bloedstollend is.
Het weer werd nu zeer onstuimig en het waaide zo stijf, dat wij met het idee de storm af te rijden de fok met de blinde innamen, ze goed dicht besloegen en strak tegen de ra’s sjorden. Maar zelfs voor een gereefde stormfok en voor de blinde konden wij het kompas op geen acht streken gaande houden. We legden het schip onder zee en gingen met de kop op de wind liggen, de steven zuidwaarts over. De zee kookte. Het regende nu zo hard dat het leek alsof de lucht en de zee aan elkaar vast zaten. We slingerden geweldig, en vrezende dat we zouden omslaan, namen we het marszeil in en stonden klaar om de kluiver te reven en met kaal tuig voor top en takel voor de wind weg te lopen. Er kwam zoveel water over dat het halve boevenet gevuld was en het volk al meende dat de boegpoorten open stonden. Door het oprekken van ons grootwant (ofschoon we het op twee plaatsen gezwicht hadden) dreigde onze grote mast omtrent vijf vadem boven het boevenet te breken. We besloten daarom onze grote steng door te schieten om zo mogelijk de mast nog staande te houden, aangezien onze reis er van afhing. Met veel pijn en moeite kregen we de steng omlaag, die we met de onderkant door het bovenste boevenet schoten, en woelden de steng met touw strak op de mast, waardoor hij tot ons aller blijdschap vast kwam te staan. We lagen nu eens westwaarts dan weer zuidwaarts over, al naar gelang de wind schevielde. Toen de storm was gaan liggen, zetten wij onze mast goed vast; talieden ons grootwant met takels stijf aan; haalden het grote marszeil uit de mars met de marsree en hesen dat bij wijze van grootzeil, waarop wij onze reis konden vervolgen.
Twaalf regels en 301 woorden, en: onbegrijpelijk. Maar daar had ik buiten de waard gerekend. Want mijn uitgever was in zijn jeugdige jaren geducht varensgast op de woeste wilde baren der zeven zeeën, en toen hij dit las, deze stormbeschrijving, kreeg hij het zuur achter zijn zeemanshart. Er klopt niks van! Dingen die eerder moeten komen later, onmogelijke handelingen worden verricht, onnodige ook. Waren het meerdere stormen in elkaar getelescopeerd? Waar had ik het vandaan?
Ik stelde hem voor om zelf een stormbeschrijving te maken die zich met die van Gulliver kon meten, en zie, hij nam de storm challenge aan en kwam met iets wat wel klopte:
Vrezende dat de blinde overboord zou gaan namen we die in en stonden klaar om de fok aan te slaan; maar bemerkende dat het zeer onstuimig weer werd, vergewisten we ons eerst dat de kanonnen ampel gesjord waren, en sloegen toen de bezaan aan. Omdat we dwars op de golven kwamen te liggen besloten we voor top en takel weg te lopen in plaats van bij te draaien of ons willoos aan de elementen over te geven. We hesen vervolgens een gereefde fok en trokken de schoot stevig vast; het schip was zwaar loefgierig maar hield zich kranig. We belegden de val van de fok maar omdat het zeil gescheurd was brachten we de ra omlaag en haalden het binnen. De storm was hevig en de golven braken gevaarlijk onvoorspelbaar. Om de roerganger te helpen trokken we uit alle macht aan de taliereep van de kolderstok. We wilden onze marssteng niet strijken, want het schip lensde goed en we wisten dat het met de mast omhoog stabieler door de golven ploegde en we bovendien alle ruimte hadden om te manoeuvreren. Toen de storm was gaan liggen, hesen we fok en grootzeil om het schip bij te draaien, en zetten vervolgens bezaan, grootmarszeil en voormarszeil bij. Onze koers was oostnoordoost, de wind kwam uit het zuidwesten. We trokken de halstalies aan, gooiden loefbrassen en -vallen los, trimden de zeilen met lijbrassen en boelijnen, en met de bezaanschoot over loef zeilden we zo scherp mogelijk aan de wind.
Tien regels en 246 woorden, helemaal puik. Dank je wel, Mark, ouwe zeebonk!
De illustraties zijn afkomstig uit The Mariners Magazine. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.






Reacties
Een reactie posten