628 De rampzalige vierde druk
In de vierde druk uit 1856 voerde Jersjov aanpassingen door in zo’n achthonderd regels. Bovendien schreef hij er 308 regels bij (en haalde er acht af), waardoor het sprookje van een toch al forse 2296 (exclusief de drie motto’s) uitgroeide tot 2596 regels. De aanpassingen zijn onder te verdelen in:
1) veranderingen voor niets, uit pure en loze drift om toch maar iets te veranderen, om er toch maar koste wat kost zijn eigen stempel op te drukken, wat zich vertaalt in talloze kleine aanpassingen, omkeringen van woordvolgorde, synoniemen etc.;
2) veranderingen om het verhaal smeuïger te maken met Siberische dialectismen of een vlotter maar lang niet altijd correct taalgebruik;
3) opfatsoeneringen die het verhaal en de woordkeus juist wat minder levend en volks maken, bijvoorbeeld door stelselmatig het woord ‘doerak’ (dwaas) te veranderen in iets onschuldigers;
4) veranderingen die anderszins aantoonbare verslechteringen zijn, als gevolg van een gemankeerd taalgevoel bij Jersjov;
5) veranderingen uit onbegrip, omdat Jersjov het (regionale, Pskovse) woord niet kende of begreep, of omdat hij de echo niet zag;
6) de niet-veranderingen, waar ze er misschien wel hadden mogen zijn, maar waar Jersjov machteloos stond; en tot slot zijn er
7) de regels, fragmenten, episodes die Jersjov toevoegt in de vierde druk, en dan met name
8) de regels die Poesjkin met puntjes had aangegeven en die door Jersjov allemaal worden ingevuld en aangevuld.
1.
Veranderingen voor niets.
Jersjov verandert bijvoorbeeld de middelste zoon in de middelste broer (1.66); ‘hij ging zitten op zijn rug’ in ‘hij sprong hem op zijn rug’ (1.139); ‘de broers, om niet te verdwalen, bedachten dat ze moesten stoppen’ (1.393-394) in ‘dus, opdat ze niet verdwaalden, besloten de broers te stoppen’; ‘en zei’, ‘и сказал’, in ‘hij zegt’, ‘говорит’ (1.604); hij verandert onnodig de woordvolgorde van ‘Если ж будешь ты да врать’ in ‘Если ж ты да будешь врать’ (‘En als je zult liegen’, 2.121); van ‘челядь должен’ in ‘должен челядь’ (‘beveel het personeel’, 3.631); hij synonimiseert ‘lieg niet’ (‘не лги’) in ‘lieg niet’ (‘не ври’, 2.488); ‘ну’ in ‘ай’ (2.702); van ‘twee uitjes’ maakt hij ‘drie uitjes’ (2.808); de tsaar staat de komst van het Paardje eerst ‘meteen’ toe (‘не медля’, 3.760) en vervolgens ‘na te hebben nagedacht’ (‘подумав’), enzovoort. Over het algemeen wordt wat simpel en precies was in de eerste druk onduidelijk en omslachtig in de vierde.
2.
Veranderingen om het verhaal Siberischer en smeuïger te maken.
In de eerste uitgave van 1834 komen geen Siberische dialectwoorden voor om de simpele reden dat Poesjkin ze niet kende en daarom ook niet kon gebruiken. Jersjov verandert bijvoorbeeld twee onschuldige regels over Ivan en zijn paard (1.651-2) in regels over de huismeester, die hij ‘huisgeest’ noemt, en waarvoor hij niet het woord ‘домовой’ maar de Siberische term ‘суседка’ gebruikt. Dat is maar één voorbeeldje van een Siberisch regionalisme. De dialectologen Leonid Leonidovitsj Kasatkin en Rozalia Frantsevna Kasatkina geven in hun artikel ‘Taal als onpartijdige getuige’ uit 2017 een lijst van vierenzeventig voorbeelden van woorden die Jersjov in de vierde druk veranderd heeft in woorden die niet-literair, Noordelijk dialectisch en vaak ook nog eens foutief gebruikt zijn. Ook signaleren ze de invoering van ‘parasitaire’ woorden (stopwoordjes), pure onzin, onbegrijpelijke frases, grammaticale en syntactische misdaden tegen het Russisch, formuleringen die Jersjov gebruikt maar zelf niet begrijpt en platte volkstaal die voor smeuïg moet doorgaan – waar de eerste druk dat allemaal niet had. De indruk die de Kasatkins krijgen is dat Jersjov geen enkel gevoel voor taal had: ‘Deze voorbeelden bewijzen het slechte professionalisme van Jersjov, het lage niveau van zijn cultuur en zijn ontoereikende beheersing van literaire en kerkslavische taal.’ (Taal, p. 431)
3.
Opfatsoeneringen.
Behalve platter van taal maakt Jersjov het verhaal ook braver van moraal. Op 1.113 vinden we de eerste van tientallen keren dat Ivan zijn bijnaam verliest en niet meer ‘dwaas’, ‘дурак’ mag zijn of heten. Ondanks de geïnsereerde Siberische dialectismes wordt het karakter van Ivan opgepoetst in Jersjovs redactie. Als Ivan als derde broer moet gaan kijken wat er op de akker gebeurt, gaat hij eerst nog ‘waggelend’ op pad (‘и шатаяся идет’, 1.116), maar in de vierde druk doet hij niets anders dan ‘en gaat de wacht houden’ (‘караул держать идет’). Ook het woord ‘botten’ haalt Jersjov twee keer weg, in ‘tot op het bot was ik bevroren’ (1.80) en in ‘tot op het bot was het [de kou] in mij binnengedrongen’ (1.91). Als de schout op de markt de prachtpaarden ontdekt en zegt dat de wonderen de wereld nog niet uit zijn (1.519-20), moet zijn hele eskader glimlachen en stottert zelfs de stadsomroeper ervan. Jersjov verandert dit in het gezagsgetrouwere: ‘En het hele eskader maakte een buiging en was verbaasd over de wijze woorden.’ De schout praat ook netter in de vierde druk en zegt niet ‘подъезжаю’ voor ‘kom ik aan’, maar ‘приезжаю’ en hij bezigt niet de dubbele ontkenning ‘нет ни выходу, ни входу’ (‘niks geen in- of uitgang’), maar begint zijn zin met het stoplapje ‘ну’, ‘nou’ (1.545-6)
In het tweede deel (2.68-9) wil de gedegradeerde kamerheer Ivan een loer draaien, hem een ‘vingervijg’ onder de neus geven, zoals Poesjkin schrijft, een ‘дуля’ – die ook wel een ‘кукиш’, een ‘шиш’ of een ‘фига’ heet – een obsceen gebaar met de duim tussen de wijs- en middelvinger, waarmee aangeduid wordt dat de ontvanger kan oprotten dan wel de klere krijgen, een gebaar dat net als het ‘dikke pik’-gebaar langzaam plaats heeft moeten maken voor de internationale opgestoken middelvinger. Jersjov of begrijpt het niet of vindt het te volks en hij laat de kamerheer Ivan geen ‘дуля’ onder de neus wrijven, maar hem wensen dat hij een ‘пуля’, kogel kon gieten speciaal om de dwaas te doden, wat een bijzonder omslachtige manier van zeggen is voor iets waar Poesjkin precies en recht voor z’n raap was. Ook het multitoepasbare en bij uitstek volkse ‘валяй’ (3.718), ‘ga je gang’, ‘doe wat je niet laten kan’, ‘doe maar’, of gewoon ‘doe’ sneuvelt in de vierde druk en wordt ‘нырняй’, ‘dompel je onder’.
Ivan heeft een boerensmaak en houdt meer van mollig en dik en niet van de Audrey Hepburn-, Scarlett O’Hara- en Loedmila Goertsjenko-types met hun drie handpalmen omvattende tailles (55-60 cm in het echt, met corset 50). De Tsaar-Mejuffer wordt door hem beschreven als een graatmagere uitgedroogde bonenstaak, ‘суха-то’ (2.643) met benen die ‘precies als van een kuiken afgenomen lijken’ (‘словно взята у цыплёнка’). In de vierde druk is Ivan wat minder uitgesproken en zegt dat ze ‘bleek’ is (‘бледна-то’) en dat haar benen, ‘тьфу ты!’, ‘bah! precies als van een kuiken zijn’, zonder het grappige ‘afgenomen’.
Bij de atheïstische Poesjkin wordt de naam van God zelden genoemd, ijdel of niet, hoogstens als dooddoener. Zo ook in de eerste druk van Paardje-Bochelaartje. Maar Jersjov weet de Opperheer in de vierde druk toch in zijn vermeende almacht binnen te smokkelen. Als de Manemoeder Ivan vertelt hoe de Walvis zijn vrijheid weer kan herwinnen, zegt ze in de eerste editie dat hij de schepen die hij heeft opgeslokt moet vrijlaten, ‘en dan zal ik zijn ongeluk wegnemen’ (‘то сниму с него невзгоду’, 3.240). In de vierde druk laat de Manemoeder dat laatste aan God over: ‘zal God jouw ongeluk wegnemen’ (‘снимет бог с него невзгоду’, ook op 3.288). Tot overmaat van ramp volgt dan een weerzinwekkend melodramatische passage van twintig ingelaste regels waarin de Manemoeder kwezelend afscheid neemt van Ivan.
4.
Anderszins aantoonbare verslechteringen.
Kleine voorbeelden: ‘en met lege wagen’ wordt ‘en met volle tas’ (1.15), terwijl er in de voorgaande regel al gezegd wordt dat de broers met klinkende munt zijn betaald. ‘De hele nacht sprong ik’ wordt ‘ik sprong het hele nachtje’ (1.92); een leuke uitdrukking als ‘op alle, wat er was, benen’ voor als de wiedeweerga, (‘и со всех, что было, ног’, 2.478) wordt veranderd in ‘op allemaal z’n beide benen’ (‘и со всех обеих ног’) wat lang niet zo leuk is. Het Paardje zelf ondergaat ook veranderingen: praatte hij in de eerste druk nog gewoon met Ivan, in de vierde druk hinnikt hij plotseling (‘заржал’, 1.335) en ‘roept met boze stem’ waar het eerst gewoon ‘zegt boos’ was (2.658). Jersjov verandert op 1.31 om onduidelijke redenen ‘en pakte’ (‘взял и’) in ‘haalde tevoorschijn’ (‘вынул’) – maar meteen daarop (1.67) laat hij het dan weer staan, in weerwil van de sprookjesregel dat de frases juist niet veranderd maar woordelijk herhaald moeten worden. Ivan pakt de Tsaar-Mejuffer eerst nog, correct, ‘bij haar vlecht’ (‘за косу ее хватает’, 2.698), maar in de vierde druk ‘pakt hij haar lange vlecht’ (‘косу длинную хватает’), alsof het ding op de grond lag. Dit is ook een voorbeeld van het door Jersjov niet gekende Pskovse dialect, waarin sommige woorden in verbuiging de klemtoon op de laatste lettergreep behouden, zoals ‘река’, ‘вода’, ‘земля’ (rivier, water, aarde) etc. – wat Jersjov als fout moet zijn voorgekomen. ‘Hij plaatst’ (‘садит он’, 2.709) wordt ‘en plaatst’ (‘и садит’), vanwege de uitzonderlijke klemtoon op het eerste ‘plaatst’, maar die is niet alleen mogelijk maar past hier ook beter. De tsaar wordt verliefd op de Tsaar-Mejuffer, maar ook daarin laten de redacties verschillende reacties zien. Verzoekt de tsaar zijn beoogde aanstaande in de eerste druk nog eenvoudig om een kus (‘Поцелуй же, дорогая!’, 2.725), in de vierde druk ziet hij voor zich hoe ze eenmaal getrouwd een zorgeloos leven zullen leiden (‘И начнём жить припевая’, letterlijk ‘en beginnen we een zingend leventje’). Even gesentimentaliseerd is de reactie van de tsaar een tiental regels verderop: in 1834 vraagt hij haar nog eenvoudig om een antwoord: ‘Отвечай же, несравненна!’ (‘Antwoord dan, onvergelijkelijke!’, 2.737) (waarna een mooie witregel volgt alvorens het rijmpaar vervolledigd wordt); in 1856 roept hij uit: ‘O mijn verdrietig lot!’ (letterlijk: ‘om te wenen’, ‘О, судьба моя плачевна!’). De dwaasheid van de oude tsaar wordt er op die manier wel met erg dikke streken opgesmeerd. Weer twee regels verder (2.739) vraagt de tsaar eerst nog ‘Als je van me houdt’ – in de vierde druk is hij helemaal verwekelijkt en smeekt: ‘Als je me nemen wil’.
De tsaar belooft Ivan, als hij de ring weet te vinden, eerst nog dat hij hem tot bojaar zal slaan (2.752), in de vierde druk belooft hij hem ‘alles te zullen geven’ (‘Задарю тебя всего’). De Walvis-Vis, eenmaal verlost, duikt in de eerste druk klassiek plonzend onder water (‘всплеснув’, 3.334); in de vierde druk is de plons verdwenen en duikt de Walvis raadselachtig ‘als een sleutel’ (‘как ключ’) naar de bodem. Als de tsaar in het derde deel zijn verhoopte echtgenote aanspreekt (3.602), staat er in de eerste druk correct: ‘antwoordde de Tsaar de Juffer’ (‘Царь Девице отвечал’); in de vierde druk is de Juffer veranderd in tsaritsa, tsarin (in het Nederlands ook wel half-om-half of dubbelop ‘tsarina’ geheten), wat ze dan niet (of nog niet) is. Als zij even later zegt dat ze alleen met hem trouwt als hij weer als vroeger wordt, mooi en jong, antwoordt de tsaar dat een mens zich niet kan veranderen (‘перемениться’, 3.624). In de vierde druk staat er dat een mens zich niet ‘opnieuw geboren kan laten worden’ (‘переродиться’) – wat aan de algemeengeldendheid van de woorden van de tsaar afbreuk doet – en een giveaway is. Als Ivan dan uit de derde ketel komt, is het zo’n mooie, schone jongeling, ‘dat je meteen met hem wou trouwen’ (‘Что хоть тут же под венец!’ 3.774), wat in de vierde druk wordt: ‘dat je het in geen sprookje kan vertellen en met geen veer kan beschrijven’ (‘Что ни в сказке не сказать, / Ни пером не написать!’). Inderdaad zijn deze veranderingen bijna met geen veer te beschrijven en je zou willen dat je ze in geen enkel sprookje zou tegenkomen.
Die verandering is meteen de laatste in het boek, en het bijzonder rappe, bijna afgeraffelde einde dat aan het verhaal wordt gebreid blijft geheel intact en krijgt er geen regels bij – wat best had gekund, als de auteur werkelijk de auteur was geweest.
Sowieso heeft Jersjov weinig oog voor de bijzondere stijl van het oorspronkelijke origineel. Als Ivan, wachtend op de Tsaar-Mejuffer, niet in slaap wil vallen, gaat hij spijkers halen uit scheepswrakken. De volgorde van de regels is sprookjesachtig mooi: ‘En Ivan gaat verzamelen / Uit kapotte schepen / Onder zijn rug spijkers’ (‘А Иван сбирать пустился / От разбитых кораблей / Под спину свою гвоздей’, 2.678-80). In de vierde druk wordt de traditionele volgorde ingevoerd, met eerst het lijdend voorwerp (‘scherpe stenen en spijkers’) en dan de plaatsbepaling pas: ‘En Ivan gaat verzamelen / Scherpe stenen en spijkers / Uit te pletter gelopen schepen’ (‘А Иван сбирать пустился / Острых камней и гвоздей / От разбитых кораблей’). En zo is in de vierde druk praktisch elke verandering, en elke toevoeging, meer dan duizend in totaal, een verslechtering, een vervlakking, een stommiteit.
5.
Veranderingen uit onbegrip.
De dialectologen Kasatkin en Kasatkina, hierboven al genoemd, ontdekten niet alleen dat Jersjov in de vierde druk allerlei Siberische woorden toevoegde, maar ook dat de eerste druk zeker honderd specifiek regionale woorden en uitdrukkingen bevatte uit het district Pskov, waar Poesjkin opgroeide op het landgoed Michajlovskoje. Ook Poesjkins njanja, Arina Rodionovna Jakovleva, die hem de liefde voor de folklore bijbracht, kwam daarvandaan. De Tobolskenaar Jersjov, die deze woorden niet kende en niet eens kon kennen, veranderde ze in de vierde druk dan ook bijna allemaal. Een paar voorbeelden. In regel 10 van het eerste deel schreef Poesjkin ‘Да возили под столицу’, ‘ze brachten het naar [letterlijk ‘onder’] de stad’, een regionale manier van zeggen die Poesjkin al had gebezigd in het gedicht uit 1829 dat begint met ‘Подъезжая под Ижоры, я взглянул на небеса’ (‘Toen ik de Izjora was genaderd, keek ik naar de hemel’), en in ‘Пугачев несколько раз подступал под Оренбург’ (‘Meermaals kwam Poegatsjov in de buurt van Orenburg’). Jersjov kende de uitdrukking niet en veranderde de regel in de vierde druk in ‘Да возили в град-столицу’ – ‘en brachten het naar de stad-hoofdstad’.
Regel 1.39 luidde eerst: ‘И обшед избу кругом’, ‘na een rondje rond de hut te hebben gelopen’, waarbij ‘обшед’ een Pskovse werkwoordvorm is die Poesjkin ook vaker had gebruikt (zoals in: ‘вышед из лицея’, van het lyceum gekomen; ‘обошед соборы’, langs de kathedraal gekomen; ‘взошед на лестницу’, de trap op gekomen, etc.). Jersjov schrapt het in de vierde druk en maakt ervan: ‘И, облив себя водой’ – ‘en, na zich met water te hebben afgespoeld’.
In het derde deel ziet Ivan iets gloeien, glimmen in de hemel en hij vergelijkt het (3.123) met een гнилушка, een honingzwam, de Armillaria mellea, waarvan het mycelium en de rizomorfen bioluminescent zijn – een natuurlijke ervaringsvergelijking voor een jongen die buiten opgroeit (zoals Poesjkin). Voor Jersjov was het te boers of gewoon onbegrijpelijk: hij schrapt de zwam en maakt er ‘зарница’ van, wat weerlicht betekent, maar hier de zonsop- of zonsondergang beduidt.
Ook van Pskovse origine is het woord ‘армяк’ – een werkmansboerenkiel. Jersjov kende het woord niet. In andere regio’s wordt het kledingstuk een ‘азям’ genoemd, en dat woord kende Jersjov wel, want hij gebruikte het in een later verhaal, Foma de Smid. Als Jersjov in 1856 als een dwaze dolleman het woord ‘doerak’ in verband met Ivan aan het schrappen is, moet het rijmwoord ‘armjak’ ook sneuvelen: in plaats daarvan loopt Ivan in de vierde editie in een onwaarschijnlijke rijmdwangbuis van een ‘kaftan’ rond (2.189-90, 339-40). Even onwaarschijnlijk als boerendracht is het hemd (‘рубашка’, 2.509-10) dat hij verderop aankrijgt in plaats van kiel.
‘Drie dagen’ is ‘три дня’ in correct Russisch, en zo komt het ook voor in Paardje-Bochelaartje. Maar als Ivan zijn nood klaagt tegen het Paardje als hij van de tsaar binnen drie dagen de ring moet halen, gebruikt hij het Pskovse, regionale ‘три дни’ (2.793). Jersjov verandert het in de vierde druk. Ook maakt hij van het regionale ‘трожды’ voor ‘driemaal’ het algemeen beschaafde ‘трижды’ (3.542). Het woord ‘погодка’ (3.95, letterlijk: weertje) kan goed weer betekenen, maar in Pskov wordt het ook voor slecht, winderig weer gebruikt, en zo gebruikt Poesjkin het hier en elders. Jersjov, menend dat het niet klopte, schrapt het.
En zo halen Kasatkin en Kasatkina tientallen voorbeelden aan waaruit blijkt dat Jersjov niet begreep wat hij geschreven heette te hebben en het derhalve ook niet geschreven kan hebben. Voor hen is hiermee onomstotelijk bewezen dat niemand anders dan Poesjkin de auteur van het sprookjesverhaal is.
6.
De niet-veranderingen.
Zelfs de vierde druk ademt met alle rampzalige aanpassingen van Jersjov nog steeds de geest van Poesjkin. Authentiek Poesjkiniaans is de tweeregelige afmaker dat lachen gevaarlijk is voor oudjes (1.231-2) en talloos zijn de reminiscenties aan het sprookje van Tsaar Saltaan, dat Poesjkin in augustus 1831 had geschreven en dat hij onlangs, in het maartnummer van De leesbibliotheek, had gepubliceerd. Paardje-Bochelaartje heeft opmerkelijk genoeg dezelfde versmaat, Poesjkins favoriete sprookjesversvoet, de viervoetige trochee ofwel trochaïsche tetrameter, met afwisselend mannelijke, staande, en vrouwelijke, slepende rijmen. (Ook Jevgeni Onegin is een viervoeter, maar een jambische.) Tsaar Saltaan maakt zelfs zijn opwachting in Paardje-Bochelaartje, inclusief het (uit de folklore bekende) eilandrijk Boejaan (1.299, 2.12). De twee sprookjes komen in sfeer en verhaalopbouw sterk overeen. En zelfs de bewoordingen zijn soms hetzelfde, bijvoorbeeld ‘Goede weg gewenst, heren! Waarvandaan komen jullie en waar gaan jullie heen?’ (‘Путь-дорога, господа! / Вы откуда и куда?’, 3.69-70); ‘Naar de zon recht naar het oosten’ (‘К Солнцу прямо на Восток’, 3.74); ‘Daar borrelde de zee op’ (‘Тут море закипело’, 3.508); er zijn kanonnen die bulderen, er is de ironisch-verheven maar menselijke en groothartige moraal – alles wat we ook uit Tsaar Saltaan kennen. De grappigheid en brutaliteit van Ivan doet denken aan de knecht Jandoedel uit een ander sprookje van Poesjkin, het Sprookje van de pope en van zijn knecht Jandoedel dat hij in 1830 had geschreven (en voorgelezen aan Gogol), maar dat tijdens zijn leven niet kon verschijnen.
Net als in Poesjkins eerdere Roeslan en Loedmila treffen we ook in Paardje-Bochelaartje het fenomeen van het voorsprookje aan, een (typisch Russisch) grappig aanhangsel vóór (of in of zelfs na) het eigenlijke sprookje. Dat was weliswaar geen uitvinding van Poesjkin, maar wel een door hem met plezier beoefend genre. Poesjkin hield van uitweidingen, die ook tot de voortstuwende en tempo bepalende krachten van zijn meesterwerk Jevgeni Onegin behoren.
Maar er zijn ook verschillen met Poesjkins andere werken. Niet alle formuleringen in Paardje-Bochelaartje zijn zo natuurlijk en precies als we van hem gewend zijn. Hier en daar krijg je de indruk dat hij het hele sprookje in één ruk heeft geschreven en er verder niet meer naar heeft gekeken. Soms stuiten we op een on-Poesjkiniaans vaag beeld of onduidelijke constructie, waar nog wel naar gekeken had kunnen worden. Maar precies op die momenten laat Jersjovs redactie het afweten. Wel verbetert Jersjov sporadisch een woord met ongelukkige klemtoon, zoals ‘работать уже не может’ (1.382), en heel af en toe een rijmdwangmatigheid (zoals ‘Данило / задавило’, Danilo / dat daar iets op je mag worden geplet, 1.413-4) en een enkel ongelukkig rijmpaar (‘хвалит’ / ‘погладит’, hij prijst / hij streelt, in ‘сводить’ / ‘заходить’ wendt af / komt langs, 1.573-4). Verder wordt af en toe een loshangend verhalend detail opgefatsoeneerd, bijvoorbeeld als het Paardje vertelt dat de Vuurvogelveer afkomstig is van het paleis van de Tsaar-Mejuffer (1.442), terwijl daar in het vervolg geen toespeling meer op wordt gemaakt, noch door de verteller, noch door Tsaar-Mejuffer zelf. Jersjov haalt het detail in de vierde druk weg – maar was dat nou echt nodig, vraag je je af.
Als de taal echt moeilijk of onduidelijk wordt, geeft Jersjov niet thuis. Zoals bij het woord ‘николи’ (2.463), wat uit de context ‘nergens’ moet betekenen, maar zeer oud en/of regionaal en/of Oekraïens lijkt te zijn, en wat Jersjov best veranderd had kunnen hebben, maar misschien zelf niet goed begreep. Ook ‘сиречь молвишь’ (2.516) blijft staan, iets als ‘de zogenaamde’, ‘oftewel’, ‘anders gezegd’, maar hier misschien net niet zegt wat het wil zeggen. Even verderop vinden we tweemaal het vage, onbepaalde ‘een gewicht aan buitenlandse confituur’, ‘весь заморского варенья’ (2.557 en 2.581), wat best een specifieke maat had mogen worden. Ook een feitelijke fout blijft onverbeterd: als Ivan voor de tweede maal vertrekt en overduidelijk naar het westen gaat (het zijn ‘Duitse landen’, 2.459 en ‘Duits’ was destijds een ander woord voor westelijk of westers), staat er abusievelijk toch ‘восток’ (oosten, 2.588), maar misschien omdat hij ‘запад’ (westen) er niet zo snel ingepast kreeg met zijn andere klemtoon en ander rijm, blijft het staan. Het ongelukkige ‘Месяц’ (maansikkel) voor de moeder van de Tsaar-Mejuffer blijft ook onaangeroerd. Месяц is mannelijk in het Russisch en kan moeilijk als moeder gelden; toch is ze het hier en zij wordt verderop zelfs ‘Maan Maanszoon’ genoemd, vanwege die grammaticale geslachtskwestie. Het andere Russische woord voor (volle) maan, луна, is wel vrouwelijk maar is anders beklemtoond en kan dus niet eenvoudig de plaats van месяц innemen. Zelfs na tweeëntwintig jaar piekeren kon Jersjov daar kennelijk niets beters voor verzinnen, alleen iets slechters, want waar de eerste druk de Manemoeder consequent het mannelijk geslacht kreeg, wordt ze in de vierde druk nu eens mannelijk en dan weer vrouwelijk, wat misschien nog wel vreemder is.
Als Ivan van de Manemoeder weer naar de Walvis-Vis tijgt, springt het Paardje hem op de staart en legt zich neer bij diens ‘veertjes’ (‘к перьям’, 3.280). Wat daarmee bedoeld wordt is een raadsel (snorharen?), maar Jersjov laat het in de vierde druk onaangeroerd; wat hij wel verandert in de regel is de omstandigheid dat het Paardje zich niet ‘gauw’ (‘скоро’) neervlijt bij de veertjes van de Walvis, maar ‘er dicht tegenaan’ (‘близко’).
7.
De toevoegingen.
Al het bovenstaande – hoe afdoend en onweerlegbaar overtuigend ook – is nog klein bier vergeleken bij wat Jersjov heeft toegevoegd aan het verhaal. Over de twee kleine schrappages kunnen we kort zijn: die zijn raadselachtig. In de eerste druk eindigt de door Ivan gevangen merrie met het verzoek om toch vooral goed gelaafd en gevoed te worden (1.159-62). Die regels zijn weg in de vierde druk – het zou best per ongeluk gebeurd kunnen zijn. Even verderop (1.304-6) stelen Ivans broers de mooie paarden en vertrekken, pratend over geld, wat in de vierde druk niet meer voorkomt, evenmin als de reden (1.309) dat Ivan plotseling naar zijn paarden toe wil (‘Is een dwaas in staat om te wachten?’).
De in de vierde druk toegevoegde regels en passages zijn stuk voor stuk of saai, of overbodig, of leukdoenerig, of een combinatie van de drie. Saai: na de laconieke afmaker dat lachen slecht kan zijn voor bejaarden (1.231-2) volgen acht regels die niets anders vertellen dan dat er tijd is verstreken, maar hoe veel kan de verteller niet zeggen; als het lichtje van de Vuurvogelveer verschijnt in de verte (na 1.402), voegt Jersjov er acht regels aan toe waarin broer Danilo zijn snode plan om Ivan eropaf te sturen al te uitvoerig-psychologiserend nogmaals bij zichzelf overweegt. Leukdoenerig is de karakterisering van de kamerheer aan het begin het het tweede deel, waar eerst vier regels bijkomen (na 2.74) waarin de kamerheer bezweert dat hij de tsaar gaat vertellen dat Ivan met duivels op goede voet staat, een heiden is, een roomse paap en dat hij met vasten vlees eet; waarop nog eens vier regels volgen (na 2.82) waar hij bij Ivan binnensluipt en dan niet minder dan achtentwintig regels (na 2.98) waarin we hem Ivan zien bespieden en daarbij commentaar levert – alles even onnodig want we hadden in de eerste druk al door dat de kamerheer een smiecht en een fielt was, en dat hij wacht tot Ivan is ingeslapen was ook wel duidelijk. (Sowieso valt het op dat vooral de episode van de laaghartige kamerheer door Jersjov in de vierde druk met allerlei tierelantijnen is omhangen – alsof hij zich met name in die persoon uitstekend kon inleven. Maar dat is niet meer dan een laaghartige persoonlijke verdachtmaking en kan niet als argument aangevoerd worden.)
Een typisch Poesjkiniaans stijlmiddel verbergt zich in het slot en de aanhef van nieuwe strofes of paragrafen. Die begint Poesjkin niet altijd met de eerste regel van een rijmpaar, maar soms met de tweede – om aan te geven dat er weliswaar tijd is verstreken, maar er ook een continuüm is. Het is een enorm werkzame truc. We vinden deze onregelmatige aanheffen een paar keer in Tsaar Saltaan terug, en in Paardje-Bochelaartje is deze signatuur van de meester evengoed te vinden, bijvoorbeeld in deel twee, als Ivan geadviseerd is door zijn Paardje en zich de volgende dag naar de tsaar begeeft (2.283-4) en als hij vervolgens op weg gaat om de Vuurvogel te vangen, en een week weg is (2.305-6).
8.
De aan- en ingevulde weggelaten regels van Poesjkin.
Het weglaten van regels en hele strofen en dat aangeven door puntjes had Poesjkin afgekeken bij Byron. In zijn lange gedicht The Giaour uit 1813 suggereert Byron met die ellipsen dat het verhaal achter de schermen doorgaat, en dat het geen verzonnen maar een echt verhaal is. De lezer mag zelf invullen wat de auteur niet mocht, kon of wilde schrijven. ‘Contouren zijn het best,’ schreef Byron in de 98ste strofe van het zesde canto van Don Juan, ‘dan doet de lezers fantasie de rest.’
De eerste keer dat Poesjkin zich van de welsprekende stilte van de ellips bedient is in de uitgave van het eerste hoofdstuk van Jevgeni Onegin in 1821. Achterin vermeldde hij dat alle met puntjes aangemerkte fragmenten ‘op initiatief van de auteur zelf’ waren weggelaten. Dat lezers zouden menen dat hier de arm der wet verantwoordelijk voor was, zag ook de censuur wel in – die het gebruik van puntjes om weglatingen aan te geven direct verbood, totdat het negen jaar later, toen hoofdstuk VIII van Jevgeni Onegin verscheen, wel weer kon. Poesjkin voltooide de roman in verzen uiteindelijk in 1831, na tien jaar, al bleef hij er daarna ook nog aan doorwerken, maar de regels met puntjes liet hij staan, hoewel hij ruim de tijd had gehad om ze te schrijven of opnieuw te schrijven – als hij gewild had.
Vaak zijn de weggelaten strofen inderdaad geschreven en zijn ze door Poesjkin geschrapt, omdat hij ze te slap vond of juist te explosief, te persoonlijk of juist te politiek. Dat weten we omdat hij ze of al eerder had gepubliceerd of omdat er na zijn dood een afschrift in andermans papieren is teruggevonden. Ook heeft hij heel het achtste hoofdstuk uiteindelijk geschrapt, ‘De reis van Onegin door Rusland’, maar later wel weer grotendeels afzonderlijk uitgegeven. Alleen in het eerste hoofdstuk zijn de ellipsen waarschijnlijk echte mystificaties. Het belangrijkste is echter dat hij er nooit iets anders voor in de plaats schreef, maar de tekst middels de plaatsvervangende puntjes liet schitteren door afwezigheid. Zelfs van de geschrapte strofes liet hij de nummering in het geheel staan, om aan te geven dat er iets ontbrak – in plaats van de publicabele strofes gewoon door te nummeren. Met dit stijlmiddel ving Poesjkin twee vliegen in één klap: hij was zijn mindere regels kwijt en hij opende de poorten van de verbeelding van de lezer.
Ook in Paardje-Bochelaartje zijn de ellipsen buitengewoon werkzaam om tot zelfdenkzaamheid aan te zetten. Vaak mag de lezer de boutades en de onbeheerste scheldpartijen van de oude tsaar zelf invullen, als die weer eens uit zijn seniele slof schiet (met name 2.207-16 en de woede-uitbarsting op 2.517-22). De eerste lege regels in Paardje-Bochelaartje (van de 38 plus twee halve) volgen op een antwoord van Ivan de Dwaas, die geheel in karakter nogal lauw reageert op het aanbod van de tsaar om stalmeester te worden, en eindigt met ‘nou vooruit dan’ (1.625-7). Maar omdat er geen aanhalingsteken-sluiten na zijn laatste woorden staat, is het niet duidelijk of Ivan in de drie lege regels nog een brutaliteit aan de tsaar richt, of dat de tsaar antwoord geeft – hoewel het eerste aannemelijker is dan het tweede, omdat de tsaar verder geen stoom afblaast of bevelen blaft. Ook in het derde deel van het sprookje worden Ivans brutale antwoorden door lege regels gesuggereerd (3.651-3, 671-2 en 677-8), zodat wij zelf mogen bedenken hoe de boerenjongen reageert op de wensen van de hoogmogende tsaar – en we weten dat hij geen blad voor de mond neemt.
Jersjov voelt niet aan dat de lege regels een integraal onderdeel zijn van de vertelling, een element dat de stijl van de auteur zijn onmiskenbare hogere ironie verleent, en begint in de vierde druk vrolijk alle regels met puntjes vol te schrijven, alsof het een invuloefening op school was. Hiermee ondergraaft Jersjov een essentieel onderdeel van de spanning van het verhaal. Een van de vele redenen waarom het zo’n meesterwerk is dat je het gevoel krijgt dat er nog veel meer onder de oppervlakte ligt, dat veel zaken alleen maar aangestipt worden (onder andere door die puntje-puntjes), maar op de achtergrond wel degelijk meespelen, omdat het een inkijkje is in een complete wereld die we voorgeschoteld krijgen en niet een afgerond bedenksel.
Nog een paar voorbeelden. Als de tsaar zich ademloos verbaast over de Vuurvogelveer die de kamerheer van Ivan heeft gestolen, is het van zulke pure verrukking dat er twee regels met puntjes staan (2.152-3), alvorens hij Ivan laat komen. Even later worden de capriolen van het hofpersoneel met dezelfde eloquente stilte beschreven (2.165-6) – maar in de vierde druk dendert het verhaal direct door, zonder deze veelzeggende pauzes. Een ingevulde regel in het derde deel (3.589) laat dit goed zien. Tsaar-Mejuffer weigert uiteindelijk met de tsaar te trouwen: hij is grijs en zij nog maar vijftien. Alle andere tsaren zouden hem uitlachen. Die woorden worden gevolgd door een lege regel, waarna de tsaar weer in woede uitbarst: Laat ze maar lachen! Dat lachen zal ze snel vergaan! Maar wat zou er in die lege regel (kunnen) staan? Dat is geheel aan de lezer om in te vullen, maar Jersjov doet het voor ons: ‘Grootvadertje, zullen ze zeggen, heeft een kleinkind getrouwd!’ (‘Дед-то, скажут, внучку взял!’), zodat wij nooit meer het onze ervan kunnen denken en de regel naar eigen inzicht en vocabulaire mogen invullen – waar Poesjkin met zijn puntjes ons de gelegenheid toe gaf en toe uitnodigde.
Conclusie
De conclusie is onweerlegbaar. Heel het sprookje, heel Paardje-Bochelaartje zoals het in 1834 verscheen, is geschreven door Aleksandr Poesjkin. Heel Paardje-Bochelaartje? Nee, één episode springt eruit. Een episode die er met geweld tussengehamerd lijkt te zijn – en waarin we misschien wel de hand van Pjotr Jersjov zien, ook al zijn er flink wat tegenargumenten aan te voeren.
De episode waar het om gaat, de dissonant, de vreemde eend in de bijt, het Fremdkörper, de wezensvreemde interpolatie, is de onderwater-episode waarin het vissenvolk naar het kistje met de ring zoekt in het derde deel (3.335-488). De episode is heel kort, 154 regels, nog geen zeven procent van het totaal van 2296 regels. Allereerst valt op dat het verhaal plotseling een maatschappijkritische, satirische toon krijgt, die we nergens anders in het sprookje (of bij Poesjkin) aantreffen. De optredende dieren zijn niet langer zichzelf, maar zijn sjablonen van mensen, alsof het een morele fabel is.
In de onderwaterepisode worden we meteen hardhandig een andere wereld in getrokken, met een andere tsaar en andere spelers. Het is een komen en gaan van allerlei vissen, de sfeer is druk, schreeuwerig en onrustig. Personages wisselen elkaar in verwarrend tempo af en geen moment wordt er op natuurlijke toon een woord gewisseld. De grote booswicht is de vis de Pos, maar het enige wat hij misdaan heeft, is niet gevonden kunnen worden als de Walvis-Tsaar hem nodig heeft. Van de Pos wordt gezegd dat hij een lelijk karakter heeft en een ruziezoeker is, maar dat heeft verder geen invloed op de plot van de episode, het zoeken naar het kistje, bijvoorbeeld als hij juist dóór zijn karakter zou weten waar het kistje lag.
Het lijkt of de episode natuurlijk overloopt in het grote verhaal, omdat de Walvis-Vis de hoofdpersoon blijft, maar die krijgt in de onderwaterepisode plotseling een heel ander karakter. Was hij in het voorgaande een klaaglijk geketende gevangene, zo gauw hij onderduikt is hij plotseling Tsaar van het Onderwaterrijk – en in de tien jaar dat hij afwezig is geweest, heeft kennelijk geen hondshaai hem gemist. Bovendien, waar hij in het voorgaande steevast Walvis-Vis werd genoemd (meestal ‘рыба кит’, eigenlijk ‘vis walvis’, soms ‘кит рыба’), heet hij in de onderwaterepisode niet één keer zo. Ook zijn alternatieve naam, Wonder-Walvis (‘Чудо-кит’) ontbreekt. Hij wordt een paar keer simpelweg ‘walvis’ genoemd en één keer ‘voortreffelijke walvis’ (‘славный кит’, 3.445).
Een aantal bewoordingen in de episode zijn ongelukkig gekozen. Als de Walvis-Tsaar bijvoorbeeld de Pos laat halen, beveelt hij hem onmiddellijk, nog deze minuut (‘в минуту’) te brengen naar zijn kajuit (‘послать в мою каюту’, 3.363-4). Een Walvis-Tsaar met een kajuit? In regel 3.375 gaat het over een meerval ‘die staatsraad werd genoemd’ waarbij ‘werd genoemd’ onnauwkeurig taalgebruik is, want de meerval is staatsraad of hij is het niet. Iets daarboven wordt binnen vijf regels twee keer op hetzelfde woord gerijmd (‘указ’), wat ook geen schoonheidsprijs verdient. Ook omdat er gerijmd moet worden, schreeuwt de Pos plotseling ‘dapper’ tegen twee aangezwommen dolfijnen (‘смело’, 3.408), wat als gerijmel overkomt. En zo zijn er voortdurend wenkbrauwfronsende momenten die er elders niet zijn.
Een andere vreemde zaak is dat de ring waarnaar zo hard gezocht is en die om een of andere verder niet geëxpliciteerde reden in een loodzwaar kistje zit, in het grote verhaal toch niet zo belangrijk te zijn als wordt gesuggereerd: wij krijgen de ring niet te zien en de Tsaar-Mejuffer interesseert het ook geen ene mallemoer meer: zij antwoordt de tsaar, als die haar zegt dat de ring in het kistje zit dat in zijn kamer staat: ‘Верю, верю’ – ‘ik geloof het graag’, ‘ja hoor’ (3.575). De vierde druk probeert het verhaal nog enigszins te redden door haar te laten zeggen dat ze niet ‘gelooft’ maar ‘werkelijk weet’ dat de ring gevonden is (‘Знаю, знаю’, ‘weet ik, weet ik’), maar het blijft een los eindje en geen integraal onderdeel.
Dat er een las is geweest, zie je het duidelijkst net vóór de episode, wanneer de Walvis net is bevrijd en naar de diepten duikt. Dat gaat met zo’n lawaai gepaard, staat er, ‘dat het de zee-tsaar gewekt zou hebben’ (3.298). Die zee-tsaar blijkt vijftig regels verderop de Walvis zelf te zijn. Hoewel Jersjov zoals we hebben gezien in de vierde druk heel veel veranderd heeft, is deze in het oog springende naad niet weggewerkt. De andere naad is de regel waarmee de volgende episode begint als deze is afgesloten en aan alle drukte en soesa een eind is gekomen. Dan volgt (op 3.489) tot aller opluchting de even simpele als serene regel ‘Тихо море-Окиян.’ – ‘Stil is de zee-Oceaan.’ En zijn we weer terug bij de echte Poesjkin.
Als Jersjov de onderwaterepisode werkelijk heeft geschreven – of in de grondverf heeft gezet – heeft hij zijn handtekening achtergelaten in de vorm van de hoofdpersoon, de ruziemaker die gevonden moet worden, de vis de Pos. Deze Gymnocephalus cernuus, in Nederland door sportvissers ook wel Schele Pos genoemd, is een kleine gestekelde baarsachtige die tot in Siberië voorkomt, in licht brak maar vooral zoet water (en dus geen zeevis is, wat het verhaal lijkt te suggereren) – en heet in het Russisch de ‘ёрш’, ‘jorsj’, waarvan de naam Jersjov (Vanderpos) is afgeleid.
Maar is het zo? Niet alles spreekt ervoor. Jersjov heeft in dit stukje in de vierde druk niet minder veranderd dan in de rest van het sprookje. Ook hier heeft hij een aantal algemeen beschaafd Russische uitdrukkingen of grammaticale constructies veranderd in dialectische. De Kasatkins geven daar in deze episode drie voorbeelden van (Taal, p. 430). Maar dat zegt niet alles. Belangrijker is de vraag of er specifiek Pskovse regionalismen voorkomen – en ja, dat blijkt het geval. De Kasatkins hebben er drie geïdentificeerd in deze episode, naast een drietal dialectismes die zowel Pskovs als Noord-Siberisch kunnen zijn. De specifiek Pskovse dialectismen zijn:
1) het woord ‘двое’, ‘twee’, in ‘Twee witte steuren’ (3.350), waar ‘две’ algemeen beschaafd zou zijn; Poesjkin gebruikt de Pskovse vorm ook elders, als ‘трое’ (‘drie’) in een brief aan Denis Davydov van begin maart 1821.
2) het woord ‘вон’ (‘hiervandaan’, ‘weg’) in de zin van ‘naar buiten’, in de regel ‘Ёрш пошел оттуда вон’ (3.454), ‘De pos vertrok daarvandaan weg’, wat Jersjov oppoetst door van ‘daarvandaan’, ‘согнувшись’, ‘gebogen hebbend’ te maken; Poesjkin gebruikt ‘вон’ op deze manier vaker.
3) het woord ‘зарница’ vlak voor en vlak na het begin van de episode (3.331 en 3.339), wat Pskovs is voor de avond- of ochtendster (Venus), het ochtend- of avondlicht, het morgen- of avondrood, het moment vlak voor zonsopgang of na zonsondergang; sommige Siberische dialecten kennen het als ‘зарнича’ in de betekenis van de planeet Venus. In Paardje-Bochelaartje komt het ook voor op 1.313 en 1.319.
Alle drie de Pskovse dialectismes heeft Jersjov in de vierde druk laten staan. De Kasatkins hebben geen specifiek Siberische dialectismes in de episodes ontdekt – of ze hebben er misschien niet naar gezocht. Verder pleit tegen het auteurschap van Jersjov van deze kleine episode het feit dat de las met het voorgaande op woordniveau niet zo abrupt is als op verhaalniveau. Twee opvallende woorden komen vlak voor en vlak na de las voor. Allereerst zoals we hebben gezien het woord ‘зарница’, hier het avondrood (3.331 en 3.339) en ten tweede het woord ‘плёсом’ op 3.316 en 3.335, van ‘плёс’, ‘zeestraat’, al kan het dat hier niet betekenen maar moeten we het in de context zoeken in de richting van ‘vissenstaart’. Allebei bijzondere woorden die de twee episodes hoe dan ook dichter bij elkaar brengen en beter in elkaar laten overlopen.
Misschien is de duidelijk mindere kwaliteit en het heel andere register van de onderwaterepisode toe te schrijven aan een ‘dutje van Homerus’ van Poesjkin. Dat zou kunnen. Zo vreselijk slecht is de episode nou ook weer niet. In elk geval nog steeds veel beter dan alles wat Jersjov in de rest van zijn leven heeft geschreven. Leonid Kasatkin waarschuwt dan ook uitdrukkelijk (in een privé-email): ‘Als u weet wat voor verschrikkelijke gedichten Jersjov schreef toen hij na Petersburg weer terug was in Tobolsk, begrijpt u dat er in PB geen enkele regel van hem afkomstig kan zijn. Daarom is zelfs het plaatsen van zijn naam in de buurt van die van Poesjkin ontoelaatbaar.’
De andere mogelijkheid is dat Jersjov toch wel in eerste instantie verantwoordelijk is geweest voor de episode met zijn naamgenoot de Pos, maar dat Poesjkin het nog eens heel goed geredigeerd heeft toen hij het verhaal in zijn sprookje invoegde. Gelet op de anomalie die deze episode is en de hele mystificatie van het auteurschap van Jersjov zoals Pletnjev en/of Poesjkin die de wereld in hebben geholpen, gecombineerd met alle bio- en bibliografische bijzonderheden die we inmiddels kennen, blijft het heel aannemelijk dat Jersjov begin 1834 in zijn hoedanigheid van kopiist inderdaad Pletnjev en wellicht Poesjkin heeft ontmoet, en dat hij op de een of andere manier – misschien omdat hij iets in Poesjkins sprookjestrant geschreven had – in het vizier kwam als mogelijke oplossing om Poesjkins onder eigen naam onpublicabele Paardje-Bochelaartje te redden en er de broodnodige pegulanten mee te genereren. Van Jersjov, als debuterend schrijver van een volkssprookje, zou niet elke letter die hij ter publicatie indiende bij de censuur driemaal worden omgedraaid en onder de loep genomen.
Als Jersjov wat liet zien van zijn schrijfsels, was dat zeker niet het sprookje (want daarvan is overduidelijk Poesjkin de auteur), maar ook niet het kleine onderwaterstukje, want dat kan niet op zichzelf staan en past ondanks alles toch te goed in het verhaal. Waarschijnlijker is dat Poesjkin hem al dan niet via Pletnjev een episode gaf om uit te werken, toepasselijkerwijs en bijna woordspelig over de Pos, die Poesjkin vervolgens in het grote geheel kon integreren, wat niet naadloos lukte (de Walvis bleef schizofreen). Maar in elk geval kon Jersjovs naam met dat stukje toch met enige rechtvaardiging op de kaft staan.
Het kan nog steeds ook zo zijn – als Jersjov werkelijk niets bijgedragen heeft – dat Poesjkin de episode met de jorsj in de hoofdrol speciaal toevoegde om Jersjov te bedanken voor zijn naamsverlening.
Of Jersjov op de hoogte was van Poesjkin als auteur van het grote geheel, is niet bewezen. Jersjov kan ook door Pletnjev (op verzoek van Poesjkin) gevraagd zijn een stukje te schrijven over de onderwater-zoektocht naar de ring – dat Poesjkin vervolgens redigeerde en inpaste in zijn eigen grote verhaal.
Maar het plan slaagde. De censor kreeg voor de tijdschriftuitgave het vrij onschuldige eerste deel van het sprookje te beoordelen, minus de spoiler in de laatste regels waarin wordt aangekondigd dat Ivan ook nog Tsaar wordt. Dat verliep zonder problemen en voor de volledige boekuitgave gaf op 4 juni 1834 censor A. Nikitenko toestemming, zodat het Bochelaartje onder valse vlag aan zijn wereldreis kon beginnen.
Dan resteert er nog een laatste vraag. Waarom heeft in al die tijd, inmiddels bijna tweehonderd jaar, niemand of bijna niemand doorgehad dat we in Paardje-Bochelaartje te maken hadden met vintage Poesjkin? Allereerst natuurlijk omdat Jersjov de Poesjkiniaanse autograaf zo vakkundig om zeep geholpen heeft in zijn rampzalige vierde editie. Maar zoals we hebben gezien zijn zelfs daarin nog genoeg aanwijzingen te vinden dat er een geniale hand in het spel is geweest die verdacht veel lijkt op die van Poesjkin. We moeten de oorzaak van de blinde vlek waarschijnlijk mede zoeken in de omstandigheid dat Paardje-Bochelaartje een kinderverhaal is. Generaties Russen zijn ermee opgegroeid, net als met de sprookjes waar Poesjkins naam wel op staat. Als je klein bent, let je er niet op wie het verhaal geschreven heeft en komt het niet eens in je op dát iemand het geschreven kan hebben. Dat laatste is pas een besef van latere leeftijd. Dat Paardje-Bochelaartje door ene Jersjov is geschreven, neem je voetstoots aan en dat geloof neem je klakkeloos mee de volwassenheid in, net zoals je je lievelingsliedjes verkeerd verstaan blijft zingen tot je plotseling de tekst goed hoort; net zoals je net zo lang ‘schróbbering’ blijft zeggen tot iemand je zegt dat het ‘schrobbéring’ is; net zoals je blijft denken dat één van de twee exemplaren van de dieren in de Ark voor de reserve was tot je jezelf betrapt op die lang gekoesterde overtuiging. Of net zoals Russen de wereldhit van Shocking Blue meezingen als ‘sjiezgara’ totdat ze erachter komen dat het ‘she’s got it’ was – en dan nóg ‘sjiezgara’ blijven zingen.
Daarbij komt dat het een klassiek kinderverhaal is. Alle Russen kennen het zonder het ooit gelezen of herlezen te hebben, en wat dat betreft staat het op één lijn met Poesjkins onsterfelijke Jevgeni Onegin, waarover de scherpzinnige critici Genis en Vajlj hebben opgemerkt dat Russen het helemaal niet eens hoeven te lezen, omdat ze het toch al met zich meedragen, als gezonken cultuurgoed, in de vorm van talloze citaten, beelden en ideeën, en het tot het Russische collectieve onderbewustzijn is gaan behoren.
Daarom zal geen enkele Rus eraan twijfelen dat Paardje-Bochelaartje door Jersjov geschreven is – dat weet hij immers al sinds zijn prilste jeugd. Tot er iemand hem of haar de schellen van de ogen doet vallen. Want één ding is duidelijk: als je eenmaal het idee laat doordringen dat Poesjkin het (vrijwel) helemaal – in de eerste uitgave – heeft geschreven, kun je het niet niet meer zien, kun je het niet niet meer geloven, zo zonneklaar is het.
Bibliografie
Gebruikte uitgaves
Pjotr Jersjov, Paardje-Bochelaartje (Пётр Ершов, Конёк-горбунок):
a) 1834 (mei, tijdschriftuitgave, Библиотека для чтения, т. III, отд. I, с. 214-234): (waar de auteur tot twee keer toe ‘G. Jersjov’ heet, als de G. niet staat voor ‘Gospodin’, ‘Mijnheer’.)
b) 1834 (oktober, 1ste druk): Sankt-Peterboerg, Tipografia Ch. Gintse (ook hier)
c) 1843 (3de druk):
d) 1856 (4de druk):, verder zijn er tientallen latere uitgaven die deze bewerkte versie heruitgeven, tot aan 2019 toe.
• Een lijst met de verschillen tussen de eerste drie edities en de vierde en vijfde (uit 1861, waarin nog een paar extra veranderingen zijn doorgevoerd) is te vinden hier.
Gebruikte literatuur
Hans Boland, Russische Zon, Over Poesjkin, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 2005 (1999)
T.Ja. Briskman & I.V. Jeremina, Pjotr Pavlovitsj Jersjov (1815-1869). Leven en werken. Bio-bibliografische materialen. (Петр Павлович Ершов (1815-1869). Жизнь, деятельность, творчество. Биобиблиографический ресурс.), Moskou, 2015 (hier)
Robin Edmonds, Pushkin, The Man and His Age, Macmillan, 1994
Arie van der Ent, De buurman van God, Een Poesjkinbiografie, Wereldbibliotheek, 2000
Elaine Feinstein, Pushkin, Phoenix, 1998
Aleksandr Genis & Pjotr Vajlj, De Russische leeslijst, Essays over de klassieke Russische literatuur (Родная речь), vertaald door Arie van der Ent, Ad. Donker, 2004
Ben Hellman, Fairy Tales and True Stories, The History of Russian Literature for Children and Young People (1574-2010), Brill, Leiden & Boston, 2013
Pjotr Jersjov, Paardje Bultenaartje (van Peter Ershow), vertaald door Dirk D. de Jongh, eigen beheer, 1950
—, Het bochelpaardje (van Peter Pawlowitch Jerschoff), vertaald door Piet Schepens, Het Fonteintje, 1951
—, Het gebochelde paardje (van P. Jersjow), vertaald door Theun de Vries, Progres, 1971
L.L. Kasatkin & R.F Kasatkina, ‘Pskovse dialectismen in het sprookje Paardje-Bochelaartje als bewijs van het auteurschap van A.S. Poesjkin’ (Л.Л. Касаткин, Р.Ф. Касаткина, ‘Псковские диалектизмы в сказке «Конёк-Горбунок» как свидетельство авторства А.С. Пушкина’), in: Смыслы, тексты и другие захватывающие сюжеты, Сборник статей в честь 80-летия Игоря Алексадровича Мельчика (Meanings, Texts, and Other Exciting Things, A Festschrift to Commemorate the 80th Anniversary of Professor Igor Alexandrovitch Mel’chuk), ed. by Ju. Apresjan and others, ЯСК, Languages of Slavic Culture, Moscow, 2012, pp 273-282
—, ‘Taal als onpartijdige getuige: Poesjkin als auteur van het sprookje Paardje-Bochelaartje’ (‘Язык — свидетель беспристрастный: А. С. Пушкин — автор сказки «Конёк-горбунок»’), in: Касаткин Л. Л., Избранные труды. Т. II. (Studia philologica.) — М.: Издательский Дом ЯСК, 2017, pp 418-163; dit stuk, het meest complete over de materie, is samengesteld uit stukken die verschenen in 2012 (‘Taal als onpartijdige getuige: het probleem van het auteurschap van Paardje-Bochelaartje’, ‘Язык — свидетель беспристрастный: проблема авторства сказки «Конёк-горбунок»’) in: Известия РАН. Серия лит-ры и языка, Т.71, No.5, 2012, p. 23-45) en in 2015 (‘Enige dialectismes en volkstaal, door P.P. Jersjov ingebracht in de tekst van het sprookje Paardje-Bochelaartje’, ‘Некоторые диалектизмы и просторечия, внесённыые П.П. Ершовым в текст сказки «Конёк-горбунок») in: Язык в пространстве речевых культур. К 80-летию В.Е. Гольдина, red. О.Ю. Крючкова, Л.П. Крысин, М.; Саратов: Амирит, 2015, p. 235-251
Vladimir Kozarovetski, ‘Sprookjes zijn maar een verhaal’ (Владимир Козаровецкий, ‘Сказка – ложь, да в ней намёк’), hier. —, ‘Poging tot plagiaat’ (‘Попытка плагиата’), hier.
—, ‘Poesjkins witwassing’ (‘Пушкиская обналичка’), in: Новые известия, 1 september 2001, hier.
—, ‘Nawoord’ (‘Послесловие’), hier.
Aleksandr Latsis, ‘Geef het paard terug!’ (Александр Лацис, ‘Верните лошадь!’), hier.
Joeri Lotman, Poesjkin (Ю. М. Лотман, Пушкин. Биография писателя. Статьи и заметки 1960-1990), «Евгений Онегин». Комментарий), Искусство-СПБ, 1995
Lilja Paljveleva, ‘Het geheim van Paardje-Bochelaartje’ (Лиля Пальвелева, ‘Тайна “Конька-горбунка”’), 1 april 2012, hier.
Aleksandr Poesjkin, Verzamelde werken in tien delen (Полное собрание сочинений в 10 томах), ‘Academische uitgave’, Издательство Академии Наук СССР, 1956-1958
—, Brieven, vertaald door Sjifra Herschberg, Uitgeverij Van Oorschot, 1988
—,—, vertaald door Hans Boland, Papieren Tijger, 2016
—, Jevgeni Onegin, vertaald door L.H.M. van Stekelenburg en Frans-Joseph van Agt, Atlas, 1994
—,—, vertaald door Hans Boland, Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2012 (Papieren Tijger, 2010)
—, Paardje-Bochelaartje (Александр Пушкин, Конёк-горбунок), ed. V. Pereljmoetter, Moskou, SAM & SAM, 1998
—,—, ed. V. Kozarovetski, Moskou, Praksis, 2009; Moskou, Id Kazarov, 2011
Karel van het Reve, Geschiedenis van de Russische literatuur van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov, G.A. van Oorschot, 1985
Sergej Sjoebin, ‘Wonderbaarlijk zelfportret’ (Сергей Ефимович Шубин, ‘Удивительный автопортрет’), hier.
Elena Sjoevalova, ‘Inleiding. Over Poesjkin als schrijver van Paardje-Bochelaartje’ (Елена Шувалова, ‘Вступление. О пушкинском авторстве Конька-Горбунка’), hier.
Corin Throsby, ‘Byron burning’, in: Times Literary Supplement, 8 juni 2018
Charles B. Timmer, Poesjkin en Onegin, Een essay, Van Oorschot, 1989
—, Avrahm Yarmolinsky en Prof. Dr. B.O. Unbegaun, Over Poesjkin, G.A. van Oorschot, 1958
Kornej Tsjoekovski, Van twee tot vijf: Boek voor ouders (Корней Чуковский, От двух до пяти: Книга для родителей), Pedagogica, 1990; voor het eerst verschenen in 1928 als Маленькие дети (Kleine kinderen). Het boek is in het Duits en in het Engels vertaald, als From Two to Five, door Miriam Morton, University of Californa Press, 1963; en als Kinder von 2 bis 5, door Franz Leschnitzer, Das Kinderbuchverlag, z.j. (1966)
De vertaling
De vertaling is gemaakt naar de eerste editie van oktober 1834. In 1856 verscheen de rampzalige vierde editie, in 1861 de vijfde met nog een klein aantal extra veranderingen, waarop sindsdien alle Russische uitgaves zijn gebaseerd – alsmede de drie eerdere Nederlandse vertalingen (zie de lijst met gebruikte literatuur), die zich weinig of niets van de oorspronkelijke versmaat aantrekken.
Het eerste hoofdstuk van de voorliggende vertaling verscheen eerder in Bij mij op de maan (Van Oorschot, 2016); voor deze uitgave van het sprookje zijn daarin een paar aanpassingen noodzakelijk geweest.
De illustraties van Joeri Vasnetsov zijn afkomstig van Sovjet-uitgaves uit 1934 (Lendetgiz) en 1941 (Detizdat TsK VLKSM) en werden ter beschikking gesteld door Serge Stommels uit de Van Abbe-collectie.
De vertaler ontving voor deze vertaling een beurs van het Nederlands Letterenfonds.
_____
Bovenstaande is de integrale inleiding bij Aleksandr Poesjkin | Александр Пушкин, Paardje Bochelaartje | Конек-Горбунок (voorheen toegeschreven aan Pjotr Jersjov), vertaald naar de eerste uitgave uit 1834 en toegelicht door Robbert-Jan Henkes met de illustraties van Joeri Vasnetsov uit 1934 en 1941, Slavische Cahiers 35, Uitgeverij Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, Amsterdam 2019.
_____
In de boekuitgave dienen in het nawoord de volgende verbeteringen te worden aangebracht (die hierboven al doorgevoerd zijn): 180.4-5: 463-464 -> 393-4 # 182.24: of niet. -> of niet, hoogstens als dooddoener. # 182.26: toch binnen te -> toch in zijn vermeende almacht binnen # 183.17: 1.69 -> 1.67 # 186.27-28: “onlogisch”: schrappen # 186.28: moet beduiden -> beduidt # 187.5-6: verderop verruilt voor de kiel -> verderop aankrijgt in plaats van kiel # 189.5: 1.593-4 -> 1.573-4 # 189.13: 2.464 -> 2.463 # 190.24: 1.305-6 -> 1.304-6 # 190.3 van onder: 1.301-2 -> 1.231-2 # 191.1: 1.478 -> 1.402 # 191, onderste vier regels: hele zin schrappen: “Ook de uitroep ... welsprekende witregel.” # 191, onderste: Ook hier -> En ook hier # 192.1: aanvullingen; -> aanvullingen, waardoor wat strak was slap wordt. # 192.1-5: “; in het laatste .... zullen leven’.” -> [schrappen] # 193.3vanonder: blad voor zijn mond -> blad voor de mond # 195.4: zijn er ook flink -> zijn er flink # 195.23-24: ruziezoeker is maar dat heeft verder geen invloed op -> ruziezoeker is, maar dat heeft verder geen invloed op # 196.27: ‘ja hoor’ -> ‘ja hoor’, ‘lul maar raak’ # 198.4: 3.459 -> 3.454 # 199.15: biografische -> bibliografische # 202.8: tijdschriftuitgave): -> tijdschriftuitgave, Biblioteka dlja tsjtenija, T. III, otd. I, s. 214-234): # 203.24-30: 282; dit .... 45. -> 282 [na "282" schrappen dus] # 203.21: Commemmorate -> Commemorate # 203.31: L.L. Kasatkin & R.F. Kasatkina, -> —, # 204.13 [vóór de L.L. Kasatkin-alinea, drie alinea’s invoegen:] # Pjotr Jersjov, Paardje Bultenaartje (van Peter Ershow), vertaald door Dirk D. de Jongh, eigen beheer, 1950 # —, Het bochelpaardje (van Peter Pawlowitch Jerschoff), vertaald door Piet Schepens, Het Fonteintje, 1951 # —, Het gebochelde paardje (van P. Jersjow), vertaald door Theun de Vries, Progres, 1971 # 204.31: Paljeleva -> Paljveleva # 206.3-4: (Tsjoekovski noemde de vertaling ‘zwak’) -> [schrappen] # 206.11-17: de twee eerdere ... Jersjov als auteur. -> de drie eerdere Nederlandse vertalingen (zie de lijst met gebruikte literatuur), die zich weinig of niets van de oorspronkelijke versmaat aantrekken.
_____
De illustratie is van Joeri Vasnetsov, het vignet op de voorkant van de Russische Lendetgiz-uitgave uit 1934.
1) veranderingen voor niets, uit pure en loze drift om toch maar iets te veranderen, om er toch maar koste wat kost zijn eigen stempel op te drukken, wat zich vertaalt in talloze kleine aanpassingen, omkeringen van woordvolgorde, synoniemen etc.;
2) veranderingen om het verhaal smeuïger te maken met Siberische dialectismen of een vlotter maar lang niet altijd correct taalgebruik;
3) opfatsoeneringen die het verhaal en de woordkeus juist wat minder levend en volks maken, bijvoorbeeld door stelselmatig het woord ‘doerak’ (dwaas) te veranderen in iets onschuldigers;
4) veranderingen die anderszins aantoonbare verslechteringen zijn, als gevolg van een gemankeerd taalgevoel bij Jersjov;
5) veranderingen uit onbegrip, omdat Jersjov het (regionale, Pskovse) woord niet kende of begreep, of omdat hij de echo niet zag;
6) de niet-veranderingen, waar ze er misschien wel hadden mogen zijn, maar waar Jersjov machteloos stond; en tot slot zijn er
7) de regels, fragmenten, episodes die Jersjov toevoegt in de vierde druk, en dan met name
8) de regels die Poesjkin met puntjes had aangegeven en die door Jersjov allemaal worden ingevuld en aangevuld.
Veranderingen voor niets.
Jersjov verandert bijvoorbeeld de middelste zoon in de middelste broer (1.66); ‘hij ging zitten op zijn rug’ in ‘hij sprong hem op zijn rug’ (1.139); ‘de broers, om niet te verdwalen, bedachten dat ze moesten stoppen’ (1.393-394) in ‘dus, opdat ze niet verdwaalden, besloten de broers te stoppen’; ‘en zei’, ‘и сказал’, in ‘hij zegt’, ‘говорит’ (1.604); hij verandert onnodig de woordvolgorde van ‘Если ж будешь ты да врать’ in ‘Если ж ты да будешь врать’ (‘En als je zult liegen’, 2.121); van ‘челядь должен’ in ‘должен челядь’ (‘beveel het personeel’, 3.631); hij synonimiseert ‘lieg niet’ (‘не лги’) in ‘lieg niet’ (‘не ври’, 2.488); ‘ну’ in ‘ай’ (2.702); van ‘twee uitjes’ maakt hij ‘drie uitjes’ (2.808); de tsaar staat de komst van het Paardje eerst ‘meteen’ toe (‘не медля’, 3.760) en vervolgens ‘na te hebben nagedacht’ (‘подумав’), enzovoort. Over het algemeen wordt wat simpel en precies was in de eerste druk onduidelijk en omslachtig in de vierde.
Veranderingen om het verhaal Siberischer en smeuïger te maken.
In de eerste uitgave van 1834 komen geen Siberische dialectwoorden voor om de simpele reden dat Poesjkin ze niet kende en daarom ook niet kon gebruiken. Jersjov verandert bijvoorbeeld twee onschuldige regels over Ivan en zijn paard (1.651-2) in regels over de huismeester, die hij ‘huisgeest’ noemt, en waarvoor hij niet het woord ‘домовой’ maar de Siberische term ‘суседка’ gebruikt. Dat is maar één voorbeeldje van een Siberisch regionalisme. De dialectologen Leonid Leonidovitsj Kasatkin en Rozalia Frantsevna Kasatkina geven in hun artikel ‘Taal als onpartijdige getuige’ uit 2017 een lijst van vierenzeventig voorbeelden van woorden die Jersjov in de vierde druk veranderd heeft in woorden die niet-literair, Noordelijk dialectisch en vaak ook nog eens foutief gebruikt zijn. Ook signaleren ze de invoering van ‘parasitaire’ woorden (stopwoordjes), pure onzin, onbegrijpelijke frases, grammaticale en syntactische misdaden tegen het Russisch, formuleringen die Jersjov gebruikt maar zelf niet begrijpt en platte volkstaal die voor smeuïg moet doorgaan – waar de eerste druk dat allemaal niet had. De indruk die de Kasatkins krijgen is dat Jersjov geen enkel gevoel voor taal had: ‘Deze voorbeelden bewijzen het slechte professionalisme van Jersjov, het lage niveau van zijn cultuur en zijn ontoereikende beheersing van literaire en kerkslavische taal.’ (Taal, p. 431)
Opfatsoeneringen.
Behalve platter van taal maakt Jersjov het verhaal ook braver van moraal. Op 1.113 vinden we de eerste van tientallen keren dat Ivan zijn bijnaam verliest en niet meer ‘dwaas’, ‘дурак’ mag zijn of heten. Ondanks de geïnsereerde Siberische dialectismes wordt het karakter van Ivan opgepoetst in Jersjovs redactie. Als Ivan als derde broer moet gaan kijken wat er op de akker gebeurt, gaat hij eerst nog ‘waggelend’ op pad (‘и шатаяся идет’, 1.116), maar in de vierde druk doet hij niets anders dan ‘en gaat de wacht houden’ (‘караул держать идет’). Ook het woord ‘botten’ haalt Jersjov twee keer weg, in ‘tot op het bot was ik bevroren’ (1.80) en in ‘tot op het bot was het [de kou] in mij binnengedrongen’ (1.91). Als de schout op de markt de prachtpaarden ontdekt en zegt dat de wonderen de wereld nog niet uit zijn (1.519-20), moet zijn hele eskader glimlachen en stottert zelfs de stadsomroeper ervan. Jersjov verandert dit in het gezagsgetrouwere: ‘En het hele eskader maakte een buiging en was verbaasd over de wijze woorden.’ De schout praat ook netter in de vierde druk en zegt niet ‘подъезжаю’ voor ‘kom ik aan’, maar ‘приезжаю’ en hij bezigt niet de dubbele ontkenning ‘нет ни выходу, ни входу’ (‘niks geen in- of uitgang’), maar begint zijn zin met het stoplapje ‘ну’, ‘nou’ (1.545-6)
In het tweede deel (2.68-9) wil de gedegradeerde kamerheer Ivan een loer draaien, hem een ‘vingervijg’ onder de neus geven, zoals Poesjkin schrijft, een ‘дуля’ – die ook wel een ‘кукиш’, een ‘шиш’ of een ‘фига’ heet – een obsceen gebaar met de duim tussen de wijs- en middelvinger, waarmee aangeduid wordt dat de ontvanger kan oprotten dan wel de klere krijgen, een gebaar dat net als het ‘dikke pik’-gebaar langzaam plaats heeft moeten maken voor de internationale opgestoken middelvinger. Jersjov of begrijpt het niet of vindt het te volks en hij laat de kamerheer Ivan geen ‘дуля’ onder de neus wrijven, maar hem wensen dat hij een ‘пуля’, kogel kon gieten speciaal om de dwaas te doden, wat een bijzonder omslachtige manier van zeggen is voor iets waar Poesjkin precies en recht voor z’n raap was. Ook het multitoepasbare en bij uitstek volkse ‘валяй’ (3.718), ‘ga je gang’, ‘doe wat je niet laten kan’, ‘doe maar’, of gewoon ‘doe’ sneuvelt in de vierde druk en wordt ‘нырняй’, ‘dompel je onder’.
Ivan heeft een boerensmaak en houdt meer van mollig en dik en niet van de Audrey Hepburn-, Scarlett O’Hara- en Loedmila Goertsjenko-types met hun drie handpalmen omvattende tailles (55-60 cm in het echt, met corset 50). De Tsaar-Mejuffer wordt door hem beschreven als een graatmagere uitgedroogde bonenstaak, ‘суха-то’ (2.643) met benen die ‘precies als van een kuiken afgenomen lijken’ (‘словно взята у цыплёнка’). In de vierde druk is Ivan wat minder uitgesproken en zegt dat ze ‘bleek’ is (‘бледна-то’) en dat haar benen, ‘тьфу ты!’, ‘bah! precies als van een kuiken zijn’, zonder het grappige ‘afgenomen’.
Bij de atheïstische Poesjkin wordt de naam van God zelden genoemd, ijdel of niet, hoogstens als dooddoener. Zo ook in de eerste druk van Paardje-Bochelaartje. Maar Jersjov weet de Opperheer in de vierde druk toch in zijn vermeende almacht binnen te smokkelen. Als de Manemoeder Ivan vertelt hoe de Walvis zijn vrijheid weer kan herwinnen, zegt ze in de eerste editie dat hij de schepen die hij heeft opgeslokt moet vrijlaten, ‘en dan zal ik zijn ongeluk wegnemen’ (‘то сниму с него невзгоду’, 3.240). In de vierde druk laat de Manemoeder dat laatste aan God over: ‘zal God jouw ongeluk wegnemen’ (‘снимет бог с него невзгоду’, ook op 3.288). Tot overmaat van ramp volgt dan een weerzinwekkend melodramatische passage van twintig ingelaste regels waarin de Manemoeder kwezelend afscheid neemt van Ivan.
Anderszins aantoonbare verslechteringen.
Kleine voorbeelden: ‘en met lege wagen’ wordt ‘en met volle tas’ (1.15), terwijl er in de voorgaande regel al gezegd wordt dat de broers met klinkende munt zijn betaald. ‘De hele nacht sprong ik’ wordt ‘ik sprong het hele nachtje’ (1.92); een leuke uitdrukking als ‘op alle, wat er was, benen’ voor als de wiedeweerga, (‘и со всех, что было, ног’, 2.478) wordt veranderd in ‘op allemaal z’n beide benen’ (‘и со всех обеих ног’) wat lang niet zo leuk is. Het Paardje zelf ondergaat ook veranderingen: praatte hij in de eerste druk nog gewoon met Ivan, in de vierde druk hinnikt hij plotseling (‘заржал’, 1.335) en ‘roept met boze stem’ waar het eerst gewoon ‘zegt boos’ was (2.658). Jersjov verandert op 1.31 om onduidelijke redenen ‘en pakte’ (‘взял и’) in ‘haalde tevoorschijn’ (‘вынул’) – maar meteen daarop (1.67) laat hij het dan weer staan, in weerwil van de sprookjesregel dat de frases juist niet veranderd maar woordelijk herhaald moeten worden. Ivan pakt de Tsaar-Mejuffer eerst nog, correct, ‘bij haar vlecht’ (‘за косу ее хватает’, 2.698), maar in de vierde druk ‘pakt hij haar lange vlecht’ (‘косу длинную хватает’), alsof het ding op de grond lag. Dit is ook een voorbeeld van het door Jersjov niet gekende Pskovse dialect, waarin sommige woorden in verbuiging de klemtoon op de laatste lettergreep behouden, zoals ‘река’, ‘вода’, ‘земля’ (rivier, water, aarde) etc. – wat Jersjov als fout moet zijn voorgekomen. ‘Hij plaatst’ (‘садит он’, 2.709) wordt ‘en plaatst’ (‘и садит’), vanwege de uitzonderlijke klemtoon op het eerste ‘plaatst’, maar die is niet alleen mogelijk maar past hier ook beter. De tsaar wordt verliefd op de Tsaar-Mejuffer, maar ook daarin laten de redacties verschillende reacties zien. Verzoekt de tsaar zijn beoogde aanstaande in de eerste druk nog eenvoudig om een kus (‘Поцелуй же, дорогая!’, 2.725), in de vierde druk ziet hij voor zich hoe ze eenmaal getrouwd een zorgeloos leven zullen leiden (‘И начнём жить припевая’, letterlijk ‘en beginnen we een zingend leventje’). Even gesentimentaliseerd is de reactie van de tsaar een tiental regels verderop: in 1834 vraagt hij haar nog eenvoudig om een antwoord: ‘Отвечай же, несравненна!’ (‘Antwoord dan, onvergelijkelijke!’, 2.737) (waarna een mooie witregel volgt alvorens het rijmpaar vervolledigd wordt); in 1856 roept hij uit: ‘O mijn verdrietig lot!’ (letterlijk: ‘om te wenen’, ‘О, судьба моя плачевна!’). De dwaasheid van de oude tsaar wordt er op die manier wel met erg dikke streken opgesmeerd. Weer twee regels verder (2.739) vraagt de tsaar eerst nog ‘Als je van me houdt’ – in de vierde druk is hij helemaal verwekelijkt en smeekt: ‘Als je me nemen wil’.
De tsaar belooft Ivan, als hij de ring weet te vinden, eerst nog dat hij hem tot bojaar zal slaan (2.752), in de vierde druk belooft hij hem ‘alles te zullen geven’ (‘Задарю тебя всего’). De Walvis-Vis, eenmaal verlost, duikt in de eerste druk klassiek plonzend onder water (‘всплеснув’, 3.334); in de vierde druk is de plons verdwenen en duikt de Walvis raadselachtig ‘als een sleutel’ (‘как ключ’) naar de bodem. Als de tsaar in het derde deel zijn verhoopte echtgenote aanspreekt (3.602), staat er in de eerste druk correct: ‘antwoordde de Tsaar de Juffer’ (‘Царь Девице отвечал’); in de vierde druk is de Juffer veranderd in tsaritsa, tsarin (in het Nederlands ook wel half-om-half of dubbelop ‘tsarina’ geheten), wat ze dan niet (of nog niet) is. Als zij even later zegt dat ze alleen met hem trouwt als hij weer als vroeger wordt, mooi en jong, antwoordt de tsaar dat een mens zich niet kan veranderen (‘перемениться’, 3.624). In de vierde druk staat er dat een mens zich niet ‘opnieuw geboren kan laten worden’ (‘переродиться’) – wat aan de algemeengeldendheid van de woorden van de tsaar afbreuk doet – en een giveaway is. Als Ivan dan uit de derde ketel komt, is het zo’n mooie, schone jongeling, ‘dat je meteen met hem wou trouwen’ (‘Что хоть тут же под венец!’ 3.774), wat in de vierde druk wordt: ‘dat je het in geen sprookje kan vertellen en met geen veer kan beschrijven’ (‘Что ни в сказке не сказать, / Ни пером не написать!’). Inderdaad zijn deze veranderingen bijna met geen veer te beschrijven en je zou willen dat je ze in geen enkel sprookje zou tegenkomen.
Die verandering is meteen de laatste in het boek, en het bijzonder rappe, bijna afgeraffelde einde dat aan het verhaal wordt gebreid blijft geheel intact en krijgt er geen regels bij – wat best had gekund, als de auteur werkelijk de auteur was geweest.
Sowieso heeft Jersjov weinig oog voor de bijzondere stijl van het oorspronkelijke origineel. Als Ivan, wachtend op de Tsaar-Mejuffer, niet in slaap wil vallen, gaat hij spijkers halen uit scheepswrakken. De volgorde van de regels is sprookjesachtig mooi: ‘En Ivan gaat verzamelen / Uit kapotte schepen / Onder zijn rug spijkers’ (‘А Иван сбирать пустился / От разбитых кораблей / Под спину свою гвоздей’, 2.678-80). In de vierde druk wordt de traditionele volgorde ingevoerd, met eerst het lijdend voorwerp (‘scherpe stenen en spijkers’) en dan de plaatsbepaling pas: ‘En Ivan gaat verzamelen / Scherpe stenen en spijkers / Uit te pletter gelopen schepen’ (‘А Иван сбирать пустился / Острых камней и гвоздей / От разбитых кораблей’). En zo is in de vierde druk praktisch elke verandering, en elke toevoeging, meer dan duizend in totaal, een verslechtering, een vervlakking, een stommiteit.
Veranderingen uit onbegrip.
De dialectologen Kasatkin en Kasatkina, hierboven al genoemd, ontdekten niet alleen dat Jersjov in de vierde druk allerlei Siberische woorden toevoegde, maar ook dat de eerste druk zeker honderd specifiek regionale woorden en uitdrukkingen bevatte uit het district Pskov, waar Poesjkin opgroeide op het landgoed Michajlovskoje. Ook Poesjkins njanja, Arina Rodionovna Jakovleva, die hem de liefde voor de folklore bijbracht, kwam daarvandaan. De Tobolskenaar Jersjov, die deze woorden niet kende en niet eens kon kennen, veranderde ze in de vierde druk dan ook bijna allemaal. Een paar voorbeelden. In regel 10 van het eerste deel schreef Poesjkin ‘Да возили под столицу’, ‘ze brachten het naar [letterlijk ‘onder’] de stad’, een regionale manier van zeggen die Poesjkin al had gebezigd in het gedicht uit 1829 dat begint met ‘Подъезжая под Ижоры, я взглянул на небеса’ (‘Toen ik de Izjora was genaderd, keek ik naar de hemel’), en in ‘Пугачев несколько раз подступал под Оренбург’ (‘Meermaals kwam Poegatsjov in de buurt van Orenburg’). Jersjov kende de uitdrukking niet en veranderde de regel in de vierde druk in ‘Да возили в град-столицу’ – ‘en brachten het naar de stad-hoofdstad’.
Regel 1.39 luidde eerst: ‘И обшед избу кругом’, ‘na een rondje rond de hut te hebben gelopen’, waarbij ‘обшед’ een Pskovse werkwoordvorm is die Poesjkin ook vaker had gebruikt (zoals in: ‘вышед из лицея’, van het lyceum gekomen; ‘обошед соборы’, langs de kathedraal gekomen; ‘взошед на лестницу’, de trap op gekomen, etc.). Jersjov schrapt het in de vierde druk en maakt ervan: ‘И, облив себя водой’ – ‘en, na zich met water te hebben afgespoeld’.
In het derde deel ziet Ivan iets gloeien, glimmen in de hemel en hij vergelijkt het (3.123) met een гнилушка, een honingzwam, de Armillaria mellea, waarvan het mycelium en de rizomorfen bioluminescent zijn – een natuurlijke ervaringsvergelijking voor een jongen die buiten opgroeit (zoals Poesjkin). Voor Jersjov was het te boers of gewoon onbegrijpelijk: hij schrapt de zwam en maakt er ‘зарница’ van, wat weerlicht betekent, maar hier de zonsop- of zonsondergang beduidt.
Ook van Pskovse origine is het woord ‘армяк’ – een werkmansboerenkiel. Jersjov kende het woord niet. In andere regio’s wordt het kledingstuk een ‘азям’ genoemd, en dat woord kende Jersjov wel, want hij gebruikte het in een later verhaal, Foma de Smid. Als Jersjov in 1856 als een dwaze dolleman het woord ‘doerak’ in verband met Ivan aan het schrappen is, moet het rijmwoord ‘armjak’ ook sneuvelen: in plaats daarvan loopt Ivan in de vierde editie in een onwaarschijnlijke rijmdwangbuis van een ‘kaftan’ rond (2.189-90, 339-40). Even onwaarschijnlijk als boerendracht is het hemd (‘рубашка’, 2.509-10) dat hij verderop aankrijgt in plaats van kiel.
‘Drie dagen’ is ‘три дня’ in correct Russisch, en zo komt het ook voor in Paardje-Bochelaartje. Maar als Ivan zijn nood klaagt tegen het Paardje als hij van de tsaar binnen drie dagen de ring moet halen, gebruikt hij het Pskovse, regionale ‘три дни’ (2.793). Jersjov verandert het in de vierde druk. Ook maakt hij van het regionale ‘трожды’ voor ‘driemaal’ het algemeen beschaafde ‘трижды’ (3.542). Het woord ‘погодка’ (3.95, letterlijk: weertje) kan goed weer betekenen, maar in Pskov wordt het ook voor slecht, winderig weer gebruikt, en zo gebruikt Poesjkin het hier en elders. Jersjov, menend dat het niet klopte, schrapt het.
En zo halen Kasatkin en Kasatkina tientallen voorbeelden aan waaruit blijkt dat Jersjov niet begreep wat hij geschreven heette te hebben en het derhalve ook niet geschreven kan hebben. Voor hen is hiermee onomstotelijk bewezen dat niemand anders dan Poesjkin de auteur van het sprookjesverhaal is.
De niet-veranderingen.
Zelfs de vierde druk ademt met alle rampzalige aanpassingen van Jersjov nog steeds de geest van Poesjkin. Authentiek Poesjkiniaans is de tweeregelige afmaker dat lachen gevaarlijk is voor oudjes (1.231-2) en talloos zijn de reminiscenties aan het sprookje van Tsaar Saltaan, dat Poesjkin in augustus 1831 had geschreven en dat hij onlangs, in het maartnummer van De leesbibliotheek, had gepubliceerd. Paardje-Bochelaartje heeft opmerkelijk genoeg dezelfde versmaat, Poesjkins favoriete sprookjesversvoet, de viervoetige trochee ofwel trochaïsche tetrameter, met afwisselend mannelijke, staande, en vrouwelijke, slepende rijmen. (Ook Jevgeni Onegin is een viervoeter, maar een jambische.) Tsaar Saltaan maakt zelfs zijn opwachting in Paardje-Bochelaartje, inclusief het (uit de folklore bekende) eilandrijk Boejaan (1.299, 2.12). De twee sprookjes komen in sfeer en verhaalopbouw sterk overeen. En zelfs de bewoordingen zijn soms hetzelfde, bijvoorbeeld ‘Goede weg gewenst, heren! Waarvandaan komen jullie en waar gaan jullie heen?’ (‘Путь-дорога, господа! / Вы откуда и куда?’, 3.69-70); ‘Naar de zon recht naar het oosten’ (‘К Солнцу прямо на Восток’, 3.74); ‘Daar borrelde de zee op’ (‘Тут море закипело’, 3.508); er zijn kanonnen die bulderen, er is de ironisch-verheven maar menselijke en groothartige moraal – alles wat we ook uit Tsaar Saltaan kennen. De grappigheid en brutaliteit van Ivan doet denken aan de knecht Jandoedel uit een ander sprookje van Poesjkin, het Sprookje van de pope en van zijn knecht Jandoedel dat hij in 1830 had geschreven (en voorgelezen aan Gogol), maar dat tijdens zijn leven niet kon verschijnen.
Net als in Poesjkins eerdere Roeslan en Loedmila treffen we ook in Paardje-Bochelaartje het fenomeen van het voorsprookje aan, een (typisch Russisch) grappig aanhangsel vóór (of in of zelfs na) het eigenlijke sprookje. Dat was weliswaar geen uitvinding van Poesjkin, maar wel een door hem met plezier beoefend genre. Poesjkin hield van uitweidingen, die ook tot de voortstuwende en tempo bepalende krachten van zijn meesterwerk Jevgeni Onegin behoren.
Maar er zijn ook verschillen met Poesjkins andere werken. Niet alle formuleringen in Paardje-Bochelaartje zijn zo natuurlijk en precies als we van hem gewend zijn. Hier en daar krijg je de indruk dat hij het hele sprookje in één ruk heeft geschreven en er verder niet meer naar heeft gekeken. Soms stuiten we op een on-Poesjkiniaans vaag beeld of onduidelijke constructie, waar nog wel naar gekeken had kunnen worden. Maar precies op die momenten laat Jersjovs redactie het afweten. Wel verbetert Jersjov sporadisch een woord met ongelukkige klemtoon, zoals ‘работать уже не может’ (1.382), en heel af en toe een rijmdwangmatigheid (zoals ‘Данило / задавило’, Danilo / dat daar iets op je mag worden geplet, 1.413-4) en een enkel ongelukkig rijmpaar (‘хвалит’ / ‘погладит’, hij prijst / hij streelt, in ‘сводить’ / ‘заходить’ wendt af / komt langs, 1.573-4). Verder wordt af en toe een loshangend verhalend detail opgefatsoeneerd, bijvoorbeeld als het Paardje vertelt dat de Vuurvogelveer afkomstig is van het paleis van de Tsaar-Mejuffer (1.442), terwijl daar in het vervolg geen toespeling meer op wordt gemaakt, noch door de verteller, noch door Tsaar-Mejuffer zelf. Jersjov haalt het detail in de vierde druk weg – maar was dat nou echt nodig, vraag je je af.
Als de taal echt moeilijk of onduidelijk wordt, geeft Jersjov niet thuis. Zoals bij het woord ‘николи’ (2.463), wat uit de context ‘nergens’ moet betekenen, maar zeer oud en/of regionaal en/of Oekraïens lijkt te zijn, en wat Jersjov best veranderd had kunnen hebben, maar misschien zelf niet goed begreep. Ook ‘сиречь молвишь’ (2.516) blijft staan, iets als ‘de zogenaamde’, ‘oftewel’, ‘anders gezegd’, maar hier misschien net niet zegt wat het wil zeggen. Even verderop vinden we tweemaal het vage, onbepaalde ‘een gewicht aan buitenlandse confituur’, ‘весь заморского варенья’ (2.557 en 2.581), wat best een specifieke maat had mogen worden. Ook een feitelijke fout blijft onverbeterd: als Ivan voor de tweede maal vertrekt en overduidelijk naar het westen gaat (het zijn ‘Duitse landen’, 2.459 en ‘Duits’ was destijds een ander woord voor westelijk of westers), staat er abusievelijk toch ‘восток’ (oosten, 2.588), maar misschien omdat hij ‘запад’ (westen) er niet zo snel ingepast kreeg met zijn andere klemtoon en ander rijm, blijft het staan. Het ongelukkige ‘Месяц’ (maansikkel) voor de moeder van de Tsaar-Mejuffer blijft ook onaangeroerd. Месяц is mannelijk in het Russisch en kan moeilijk als moeder gelden; toch is ze het hier en zij wordt verderop zelfs ‘Maan Maanszoon’ genoemd, vanwege die grammaticale geslachtskwestie. Het andere Russische woord voor (volle) maan, луна, is wel vrouwelijk maar is anders beklemtoond en kan dus niet eenvoudig de plaats van месяц innemen. Zelfs na tweeëntwintig jaar piekeren kon Jersjov daar kennelijk niets beters voor verzinnen, alleen iets slechters, want waar de eerste druk de Manemoeder consequent het mannelijk geslacht kreeg, wordt ze in de vierde druk nu eens mannelijk en dan weer vrouwelijk, wat misschien nog wel vreemder is.
Als Ivan van de Manemoeder weer naar de Walvis-Vis tijgt, springt het Paardje hem op de staart en legt zich neer bij diens ‘veertjes’ (‘к перьям’, 3.280). Wat daarmee bedoeld wordt is een raadsel (snorharen?), maar Jersjov laat het in de vierde druk onaangeroerd; wat hij wel verandert in de regel is de omstandigheid dat het Paardje zich niet ‘gauw’ (‘скоро’) neervlijt bij de veertjes van de Walvis, maar ‘er dicht tegenaan’ (‘близко’).
De toevoegingen.
Al het bovenstaande – hoe afdoend en onweerlegbaar overtuigend ook – is nog klein bier vergeleken bij wat Jersjov heeft toegevoegd aan het verhaal. Over de twee kleine schrappages kunnen we kort zijn: die zijn raadselachtig. In de eerste druk eindigt de door Ivan gevangen merrie met het verzoek om toch vooral goed gelaafd en gevoed te worden (1.159-62). Die regels zijn weg in de vierde druk – het zou best per ongeluk gebeurd kunnen zijn. Even verderop (1.304-6) stelen Ivans broers de mooie paarden en vertrekken, pratend over geld, wat in de vierde druk niet meer voorkomt, evenmin als de reden (1.309) dat Ivan plotseling naar zijn paarden toe wil (‘Is een dwaas in staat om te wachten?’).
De in de vierde druk toegevoegde regels en passages zijn stuk voor stuk of saai, of overbodig, of leukdoenerig, of een combinatie van de drie. Saai: na de laconieke afmaker dat lachen slecht kan zijn voor bejaarden (1.231-2) volgen acht regels die niets anders vertellen dan dat er tijd is verstreken, maar hoe veel kan de verteller niet zeggen; als het lichtje van de Vuurvogelveer verschijnt in de verte (na 1.402), voegt Jersjov er acht regels aan toe waarin broer Danilo zijn snode plan om Ivan eropaf te sturen al te uitvoerig-psychologiserend nogmaals bij zichzelf overweegt. Leukdoenerig is de karakterisering van de kamerheer aan het begin het het tweede deel, waar eerst vier regels bijkomen (na 2.74) waarin de kamerheer bezweert dat hij de tsaar gaat vertellen dat Ivan met duivels op goede voet staat, een heiden is, een roomse paap en dat hij met vasten vlees eet; waarop nog eens vier regels volgen (na 2.82) waar hij bij Ivan binnensluipt en dan niet minder dan achtentwintig regels (na 2.98) waarin we hem Ivan zien bespieden en daarbij commentaar levert – alles even onnodig want we hadden in de eerste druk al door dat de kamerheer een smiecht en een fielt was, en dat hij wacht tot Ivan is ingeslapen was ook wel duidelijk. (Sowieso valt het op dat vooral de episode van de laaghartige kamerheer door Jersjov in de vierde druk met allerlei tierelantijnen is omhangen – alsof hij zich met name in die persoon uitstekend kon inleven. Maar dat is niet meer dan een laaghartige persoonlijke verdachtmaking en kan niet als argument aangevoerd worden.)
Een typisch Poesjkiniaans stijlmiddel verbergt zich in het slot en de aanhef van nieuwe strofes of paragrafen. Die begint Poesjkin niet altijd met de eerste regel van een rijmpaar, maar soms met de tweede – om aan te geven dat er weliswaar tijd is verstreken, maar er ook een continuüm is. Het is een enorm werkzame truc. We vinden deze onregelmatige aanheffen een paar keer in Tsaar Saltaan terug, en in Paardje-Bochelaartje is deze signatuur van de meester evengoed te vinden, bijvoorbeeld in deel twee, als Ivan geadviseerd is door zijn Paardje en zich de volgende dag naar de tsaar begeeft (2.283-4) en als hij vervolgens op weg gaat om de Vuurvogel te vangen, en een week weg is (2.305-6).
De aan- en ingevulde weggelaten regels van Poesjkin.
Het weglaten van regels en hele strofen en dat aangeven door puntjes had Poesjkin afgekeken bij Byron. In zijn lange gedicht The Giaour uit 1813 suggereert Byron met die ellipsen dat het verhaal achter de schermen doorgaat, en dat het geen verzonnen maar een echt verhaal is. De lezer mag zelf invullen wat de auteur niet mocht, kon of wilde schrijven. ‘Contouren zijn het best,’ schreef Byron in de 98ste strofe van het zesde canto van Don Juan, ‘dan doet de lezers fantasie de rest.’
De eerste keer dat Poesjkin zich van de welsprekende stilte van de ellips bedient is in de uitgave van het eerste hoofdstuk van Jevgeni Onegin in 1821. Achterin vermeldde hij dat alle met puntjes aangemerkte fragmenten ‘op initiatief van de auteur zelf’ waren weggelaten. Dat lezers zouden menen dat hier de arm der wet verantwoordelijk voor was, zag ook de censuur wel in – die het gebruik van puntjes om weglatingen aan te geven direct verbood, totdat het negen jaar later, toen hoofdstuk VIII van Jevgeni Onegin verscheen, wel weer kon. Poesjkin voltooide de roman in verzen uiteindelijk in 1831, na tien jaar, al bleef hij er daarna ook nog aan doorwerken, maar de regels met puntjes liet hij staan, hoewel hij ruim de tijd had gehad om ze te schrijven of opnieuw te schrijven – als hij gewild had.
Vaak zijn de weggelaten strofen inderdaad geschreven en zijn ze door Poesjkin geschrapt, omdat hij ze te slap vond of juist te explosief, te persoonlijk of juist te politiek. Dat weten we omdat hij ze of al eerder had gepubliceerd of omdat er na zijn dood een afschrift in andermans papieren is teruggevonden. Ook heeft hij heel het achtste hoofdstuk uiteindelijk geschrapt, ‘De reis van Onegin door Rusland’, maar later wel weer grotendeels afzonderlijk uitgegeven. Alleen in het eerste hoofdstuk zijn de ellipsen waarschijnlijk echte mystificaties. Het belangrijkste is echter dat hij er nooit iets anders voor in de plaats schreef, maar de tekst middels de plaatsvervangende puntjes liet schitteren door afwezigheid. Zelfs van de geschrapte strofes liet hij de nummering in het geheel staan, om aan te geven dat er iets ontbrak – in plaats van de publicabele strofes gewoon door te nummeren. Met dit stijlmiddel ving Poesjkin twee vliegen in één klap: hij was zijn mindere regels kwijt en hij opende de poorten van de verbeelding van de lezer.
Ook in Paardje-Bochelaartje zijn de ellipsen buitengewoon werkzaam om tot zelfdenkzaamheid aan te zetten. Vaak mag de lezer de boutades en de onbeheerste scheldpartijen van de oude tsaar zelf invullen, als die weer eens uit zijn seniele slof schiet (met name 2.207-16 en de woede-uitbarsting op 2.517-22). De eerste lege regels in Paardje-Bochelaartje (van de 38 plus twee halve) volgen op een antwoord van Ivan de Dwaas, die geheel in karakter nogal lauw reageert op het aanbod van de tsaar om stalmeester te worden, en eindigt met ‘nou vooruit dan’ (1.625-7). Maar omdat er geen aanhalingsteken-sluiten na zijn laatste woorden staat, is het niet duidelijk of Ivan in de drie lege regels nog een brutaliteit aan de tsaar richt, of dat de tsaar antwoord geeft – hoewel het eerste aannemelijker is dan het tweede, omdat de tsaar verder geen stoom afblaast of bevelen blaft. Ook in het derde deel van het sprookje worden Ivans brutale antwoorden door lege regels gesuggereerd (3.651-3, 671-2 en 677-8), zodat wij zelf mogen bedenken hoe de boerenjongen reageert op de wensen van de hoogmogende tsaar – en we weten dat hij geen blad voor de mond neemt.
Jersjov voelt niet aan dat de lege regels een integraal onderdeel zijn van de vertelling, een element dat de stijl van de auteur zijn onmiskenbare hogere ironie verleent, en begint in de vierde druk vrolijk alle regels met puntjes vol te schrijven, alsof het een invuloefening op school was. Hiermee ondergraaft Jersjov een essentieel onderdeel van de spanning van het verhaal. Een van de vele redenen waarom het zo’n meesterwerk is dat je het gevoel krijgt dat er nog veel meer onder de oppervlakte ligt, dat veel zaken alleen maar aangestipt worden (onder andere door die puntje-puntjes), maar op de achtergrond wel degelijk meespelen, omdat het een inkijkje is in een complete wereld die we voorgeschoteld krijgen en niet een afgerond bedenksel.
Nog een paar voorbeelden. Als de tsaar zich ademloos verbaast over de Vuurvogelveer die de kamerheer van Ivan heeft gestolen, is het van zulke pure verrukking dat er twee regels met puntjes staan (2.152-3), alvorens hij Ivan laat komen. Even later worden de capriolen van het hofpersoneel met dezelfde eloquente stilte beschreven (2.165-6) – maar in de vierde druk dendert het verhaal direct door, zonder deze veelzeggende pauzes. Een ingevulde regel in het derde deel (3.589) laat dit goed zien. Tsaar-Mejuffer weigert uiteindelijk met de tsaar te trouwen: hij is grijs en zij nog maar vijftien. Alle andere tsaren zouden hem uitlachen. Die woorden worden gevolgd door een lege regel, waarna de tsaar weer in woede uitbarst: Laat ze maar lachen! Dat lachen zal ze snel vergaan! Maar wat zou er in die lege regel (kunnen) staan? Dat is geheel aan de lezer om in te vullen, maar Jersjov doet het voor ons: ‘Grootvadertje, zullen ze zeggen, heeft een kleinkind getrouwd!’ (‘Дед-то, скажут, внучку взял!’), zodat wij nooit meer het onze ervan kunnen denken en de regel naar eigen inzicht en vocabulaire mogen invullen – waar Poesjkin met zijn puntjes ons de gelegenheid toe gaf en toe uitnodigde.
De conclusie is onweerlegbaar. Heel het sprookje, heel Paardje-Bochelaartje zoals het in 1834 verscheen, is geschreven door Aleksandr Poesjkin. Heel Paardje-Bochelaartje? Nee, één episode springt eruit. Een episode die er met geweld tussengehamerd lijkt te zijn – en waarin we misschien wel de hand van Pjotr Jersjov zien, ook al zijn er flink wat tegenargumenten aan te voeren.
De episode waar het om gaat, de dissonant, de vreemde eend in de bijt, het Fremdkörper, de wezensvreemde interpolatie, is de onderwater-episode waarin het vissenvolk naar het kistje met de ring zoekt in het derde deel (3.335-488). De episode is heel kort, 154 regels, nog geen zeven procent van het totaal van 2296 regels. Allereerst valt op dat het verhaal plotseling een maatschappijkritische, satirische toon krijgt, die we nergens anders in het sprookje (of bij Poesjkin) aantreffen. De optredende dieren zijn niet langer zichzelf, maar zijn sjablonen van mensen, alsof het een morele fabel is.
In de onderwaterepisode worden we meteen hardhandig een andere wereld in getrokken, met een andere tsaar en andere spelers. Het is een komen en gaan van allerlei vissen, de sfeer is druk, schreeuwerig en onrustig. Personages wisselen elkaar in verwarrend tempo af en geen moment wordt er op natuurlijke toon een woord gewisseld. De grote booswicht is de vis de Pos, maar het enige wat hij misdaan heeft, is niet gevonden kunnen worden als de Walvis-Tsaar hem nodig heeft. Van de Pos wordt gezegd dat hij een lelijk karakter heeft en een ruziezoeker is, maar dat heeft verder geen invloed op de plot van de episode, het zoeken naar het kistje, bijvoorbeeld als hij juist dóór zijn karakter zou weten waar het kistje lag.
Het lijkt of de episode natuurlijk overloopt in het grote verhaal, omdat de Walvis-Vis de hoofdpersoon blijft, maar die krijgt in de onderwaterepisode plotseling een heel ander karakter. Was hij in het voorgaande een klaaglijk geketende gevangene, zo gauw hij onderduikt is hij plotseling Tsaar van het Onderwaterrijk – en in de tien jaar dat hij afwezig is geweest, heeft kennelijk geen hondshaai hem gemist. Bovendien, waar hij in het voorgaande steevast Walvis-Vis werd genoemd (meestal ‘рыба кит’, eigenlijk ‘vis walvis’, soms ‘кит рыба’), heet hij in de onderwaterepisode niet één keer zo. Ook zijn alternatieve naam, Wonder-Walvis (‘Чудо-кит’) ontbreekt. Hij wordt een paar keer simpelweg ‘walvis’ genoemd en één keer ‘voortreffelijke walvis’ (‘славный кит’, 3.445).
Een aantal bewoordingen in de episode zijn ongelukkig gekozen. Als de Walvis-Tsaar bijvoorbeeld de Pos laat halen, beveelt hij hem onmiddellijk, nog deze minuut (‘в минуту’) te brengen naar zijn kajuit (‘послать в мою каюту’, 3.363-4). Een Walvis-Tsaar met een kajuit? In regel 3.375 gaat het over een meerval ‘die staatsraad werd genoemd’ waarbij ‘werd genoemd’ onnauwkeurig taalgebruik is, want de meerval is staatsraad of hij is het niet. Iets daarboven wordt binnen vijf regels twee keer op hetzelfde woord gerijmd (‘указ’), wat ook geen schoonheidsprijs verdient. Ook omdat er gerijmd moet worden, schreeuwt de Pos plotseling ‘dapper’ tegen twee aangezwommen dolfijnen (‘смело’, 3.408), wat als gerijmel overkomt. En zo zijn er voortdurend wenkbrauwfronsende momenten die er elders niet zijn.
Een andere vreemde zaak is dat de ring waarnaar zo hard gezocht is en die om een of andere verder niet geëxpliciteerde reden in een loodzwaar kistje zit, in het grote verhaal toch niet zo belangrijk te zijn als wordt gesuggereerd: wij krijgen de ring niet te zien en de Tsaar-Mejuffer interesseert het ook geen ene mallemoer meer: zij antwoordt de tsaar, als die haar zegt dat de ring in het kistje zit dat in zijn kamer staat: ‘Верю, верю’ – ‘ik geloof het graag’, ‘ja hoor’ (3.575). De vierde druk probeert het verhaal nog enigszins te redden door haar te laten zeggen dat ze niet ‘gelooft’ maar ‘werkelijk weet’ dat de ring gevonden is (‘Знаю, знаю’, ‘weet ik, weet ik’), maar het blijft een los eindje en geen integraal onderdeel.
Dat er een las is geweest, zie je het duidelijkst net vóór de episode, wanneer de Walvis net is bevrijd en naar de diepten duikt. Dat gaat met zo’n lawaai gepaard, staat er, ‘dat het de zee-tsaar gewekt zou hebben’ (3.298). Die zee-tsaar blijkt vijftig regels verderop de Walvis zelf te zijn. Hoewel Jersjov zoals we hebben gezien in de vierde druk heel veel veranderd heeft, is deze in het oog springende naad niet weggewerkt. De andere naad is de regel waarmee de volgende episode begint als deze is afgesloten en aan alle drukte en soesa een eind is gekomen. Dan volgt (op 3.489) tot aller opluchting de even simpele als serene regel ‘Тихо море-Окиян.’ – ‘Stil is de zee-Oceaan.’ En zijn we weer terug bij de echte Poesjkin.
Als Jersjov de onderwaterepisode werkelijk heeft geschreven – of in de grondverf heeft gezet – heeft hij zijn handtekening achtergelaten in de vorm van de hoofdpersoon, de ruziemaker die gevonden moet worden, de vis de Pos. Deze Gymnocephalus cernuus, in Nederland door sportvissers ook wel Schele Pos genoemd, is een kleine gestekelde baarsachtige die tot in Siberië voorkomt, in licht brak maar vooral zoet water (en dus geen zeevis is, wat het verhaal lijkt te suggereren) – en heet in het Russisch de ‘ёрш’, ‘jorsj’, waarvan de naam Jersjov (Vanderpos) is afgeleid.
Maar is het zo? Niet alles spreekt ervoor. Jersjov heeft in dit stukje in de vierde druk niet minder veranderd dan in de rest van het sprookje. Ook hier heeft hij een aantal algemeen beschaafd Russische uitdrukkingen of grammaticale constructies veranderd in dialectische. De Kasatkins geven daar in deze episode drie voorbeelden van (Taal, p. 430). Maar dat zegt niet alles. Belangrijker is de vraag of er specifiek Pskovse regionalismen voorkomen – en ja, dat blijkt het geval. De Kasatkins hebben er drie geïdentificeerd in deze episode, naast een drietal dialectismes die zowel Pskovs als Noord-Siberisch kunnen zijn. De specifiek Pskovse dialectismen zijn:
1) het woord ‘двое’, ‘twee’, in ‘Twee witte steuren’ (3.350), waar ‘две’ algemeen beschaafd zou zijn; Poesjkin gebruikt de Pskovse vorm ook elders, als ‘трое’ (‘drie’) in een brief aan Denis Davydov van begin maart 1821.
2) het woord ‘вон’ (‘hiervandaan’, ‘weg’) in de zin van ‘naar buiten’, in de regel ‘Ёрш пошел оттуда вон’ (3.454), ‘De pos vertrok daarvandaan weg’, wat Jersjov oppoetst door van ‘daarvandaan’, ‘согнувшись’, ‘gebogen hebbend’ te maken; Poesjkin gebruikt ‘вон’ op deze manier vaker.
3) het woord ‘зарница’ vlak voor en vlak na het begin van de episode (3.331 en 3.339), wat Pskovs is voor de avond- of ochtendster (Venus), het ochtend- of avondlicht, het morgen- of avondrood, het moment vlak voor zonsopgang of na zonsondergang; sommige Siberische dialecten kennen het als ‘зарнича’ in de betekenis van de planeet Venus. In Paardje-Bochelaartje komt het ook voor op 1.313 en 1.319.
Alle drie de Pskovse dialectismes heeft Jersjov in de vierde druk laten staan. De Kasatkins hebben geen specifiek Siberische dialectismes in de episodes ontdekt – of ze hebben er misschien niet naar gezocht. Verder pleit tegen het auteurschap van Jersjov van deze kleine episode het feit dat de las met het voorgaande op woordniveau niet zo abrupt is als op verhaalniveau. Twee opvallende woorden komen vlak voor en vlak na de las voor. Allereerst zoals we hebben gezien het woord ‘зарница’, hier het avondrood (3.331 en 3.339) en ten tweede het woord ‘плёсом’ op 3.316 en 3.335, van ‘плёс’, ‘zeestraat’, al kan het dat hier niet betekenen maar moeten we het in de context zoeken in de richting van ‘vissenstaart’. Allebei bijzondere woorden die de twee episodes hoe dan ook dichter bij elkaar brengen en beter in elkaar laten overlopen.
Misschien is de duidelijk mindere kwaliteit en het heel andere register van de onderwaterepisode toe te schrijven aan een ‘dutje van Homerus’ van Poesjkin. Dat zou kunnen. Zo vreselijk slecht is de episode nou ook weer niet. In elk geval nog steeds veel beter dan alles wat Jersjov in de rest van zijn leven heeft geschreven. Leonid Kasatkin waarschuwt dan ook uitdrukkelijk (in een privé-email): ‘Als u weet wat voor verschrikkelijke gedichten Jersjov schreef toen hij na Petersburg weer terug was in Tobolsk, begrijpt u dat er in PB geen enkele regel van hem afkomstig kan zijn. Daarom is zelfs het plaatsen van zijn naam in de buurt van die van Poesjkin ontoelaatbaar.’
De andere mogelijkheid is dat Jersjov toch wel in eerste instantie verantwoordelijk is geweest voor de episode met zijn naamgenoot de Pos, maar dat Poesjkin het nog eens heel goed geredigeerd heeft toen hij het verhaal in zijn sprookje invoegde. Gelet op de anomalie die deze episode is en de hele mystificatie van het auteurschap van Jersjov zoals Pletnjev en/of Poesjkin die de wereld in hebben geholpen, gecombineerd met alle bio- en bibliografische bijzonderheden die we inmiddels kennen, blijft het heel aannemelijk dat Jersjov begin 1834 in zijn hoedanigheid van kopiist inderdaad Pletnjev en wellicht Poesjkin heeft ontmoet, en dat hij op de een of andere manier – misschien omdat hij iets in Poesjkins sprookjestrant geschreven had – in het vizier kwam als mogelijke oplossing om Poesjkins onder eigen naam onpublicabele Paardje-Bochelaartje te redden en er de broodnodige pegulanten mee te genereren. Van Jersjov, als debuterend schrijver van een volkssprookje, zou niet elke letter die hij ter publicatie indiende bij de censuur driemaal worden omgedraaid en onder de loep genomen.
Als Jersjov wat liet zien van zijn schrijfsels, was dat zeker niet het sprookje (want daarvan is overduidelijk Poesjkin de auteur), maar ook niet het kleine onderwaterstukje, want dat kan niet op zichzelf staan en past ondanks alles toch te goed in het verhaal. Waarschijnlijker is dat Poesjkin hem al dan niet via Pletnjev een episode gaf om uit te werken, toepasselijkerwijs en bijna woordspelig over de Pos, die Poesjkin vervolgens in het grote geheel kon integreren, wat niet naadloos lukte (de Walvis bleef schizofreen). Maar in elk geval kon Jersjovs naam met dat stukje toch met enige rechtvaardiging op de kaft staan.
Het kan nog steeds ook zo zijn – als Jersjov werkelijk niets bijgedragen heeft – dat Poesjkin de episode met de jorsj in de hoofdrol speciaal toevoegde om Jersjov te bedanken voor zijn naamsverlening.
Of Jersjov op de hoogte was van Poesjkin als auteur van het grote geheel, is niet bewezen. Jersjov kan ook door Pletnjev (op verzoek van Poesjkin) gevraagd zijn een stukje te schrijven over de onderwater-zoektocht naar de ring – dat Poesjkin vervolgens redigeerde en inpaste in zijn eigen grote verhaal.
Maar het plan slaagde. De censor kreeg voor de tijdschriftuitgave het vrij onschuldige eerste deel van het sprookje te beoordelen, minus de spoiler in de laatste regels waarin wordt aangekondigd dat Ivan ook nog Tsaar wordt. Dat verliep zonder problemen en voor de volledige boekuitgave gaf op 4 juni 1834 censor A. Nikitenko toestemming, zodat het Bochelaartje onder valse vlag aan zijn wereldreis kon beginnen.
Dan resteert er nog een laatste vraag. Waarom heeft in al die tijd, inmiddels bijna tweehonderd jaar, niemand of bijna niemand doorgehad dat we in Paardje-Bochelaartje te maken hadden met vintage Poesjkin? Allereerst natuurlijk omdat Jersjov de Poesjkiniaanse autograaf zo vakkundig om zeep geholpen heeft in zijn rampzalige vierde editie. Maar zoals we hebben gezien zijn zelfs daarin nog genoeg aanwijzingen te vinden dat er een geniale hand in het spel is geweest die verdacht veel lijkt op die van Poesjkin. We moeten de oorzaak van de blinde vlek waarschijnlijk mede zoeken in de omstandigheid dat Paardje-Bochelaartje een kinderverhaal is. Generaties Russen zijn ermee opgegroeid, net als met de sprookjes waar Poesjkins naam wel op staat. Als je klein bent, let je er niet op wie het verhaal geschreven heeft en komt het niet eens in je op dát iemand het geschreven kan hebben. Dat laatste is pas een besef van latere leeftijd. Dat Paardje-Bochelaartje door ene Jersjov is geschreven, neem je voetstoots aan en dat geloof neem je klakkeloos mee de volwassenheid in, net zoals je je lievelingsliedjes verkeerd verstaan blijft zingen tot je plotseling de tekst goed hoort; net zoals je net zo lang ‘schróbbering’ blijft zeggen tot iemand je zegt dat het ‘schrobbéring’ is; net zoals je blijft denken dat één van de twee exemplaren van de dieren in de Ark voor de reserve was tot je jezelf betrapt op die lang gekoesterde overtuiging. Of net zoals Russen de wereldhit van Shocking Blue meezingen als ‘sjiezgara’ totdat ze erachter komen dat het ‘she’s got it’ was – en dan nóg ‘sjiezgara’ blijven zingen.
Daarbij komt dat het een klassiek kinderverhaal is. Alle Russen kennen het zonder het ooit gelezen of herlezen te hebben, en wat dat betreft staat het op één lijn met Poesjkins onsterfelijke Jevgeni Onegin, waarover de scherpzinnige critici Genis en Vajlj hebben opgemerkt dat Russen het helemaal niet eens hoeven te lezen, omdat ze het toch al met zich meedragen, als gezonken cultuurgoed, in de vorm van talloze citaten, beelden en ideeën, en het tot het Russische collectieve onderbewustzijn is gaan behoren.
Daarom zal geen enkele Rus eraan twijfelen dat Paardje-Bochelaartje door Jersjov geschreven is – dat weet hij immers al sinds zijn prilste jeugd. Tot er iemand hem of haar de schellen van de ogen doet vallen. Want één ding is duidelijk: als je eenmaal het idee laat doordringen dat Poesjkin het (vrijwel) helemaal – in de eerste uitgave – heeft geschreven, kun je het niet niet meer zien, kun je het niet niet meer geloven, zo zonneklaar is het.
Gebruikte uitgaves
Pjotr Jersjov, Paardje-Bochelaartje (Пётр Ершов, Конёк-горбунок):
a) 1834 (mei, tijdschriftuitgave, Библиотека для чтения, т. III, отд. I, с. 214-234): (waar de auteur tot twee keer toe ‘G. Jersjov’ heet, als de G. niet staat voor ‘Gospodin’, ‘Mijnheer’.)
b) 1834 (oktober, 1ste druk): Sankt-Peterboerg, Tipografia Ch. Gintse (ook hier)
c) 1843 (3de druk):
d) 1856 (4de druk):, verder zijn er tientallen latere uitgaven die deze bewerkte versie heruitgeven, tot aan 2019 toe.
• Een lijst met de verschillen tussen de eerste drie edities en de vierde en vijfde (uit 1861, waarin nog een paar extra veranderingen zijn doorgevoerd) is te vinden hier.
Gebruikte literatuur
Hans Boland, Russische Zon, Over Poesjkin, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 2005 (1999)
T.Ja. Briskman & I.V. Jeremina, Pjotr Pavlovitsj Jersjov (1815-1869). Leven en werken. Bio-bibliografische materialen. (Петр Павлович Ершов (1815-1869). Жизнь, деятельность, творчество. Биобиблиографический ресурс.), Moskou, 2015 (hier)
Robin Edmonds, Pushkin, The Man and His Age, Macmillan, 1994
Arie van der Ent, De buurman van God, Een Poesjkinbiografie, Wereldbibliotheek, 2000
Elaine Feinstein, Pushkin, Phoenix, 1998
Aleksandr Genis & Pjotr Vajlj, De Russische leeslijst, Essays over de klassieke Russische literatuur (Родная речь), vertaald door Arie van der Ent, Ad. Donker, 2004
Ben Hellman, Fairy Tales and True Stories, The History of Russian Literature for Children and Young People (1574-2010), Brill, Leiden & Boston, 2013
Pjotr Jersjov, Paardje Bultenaartje (van Peter Ershow), vertaald door Dirk D. de Jongh, eigen beheer, 1950
—, Het bochelpaardje (van Peter Pawlowitch Jerschoff), vertaald door Piet Schepens, Het Fonteintje, 1951
—, Het gebochelde paardje (van P. Jersjow), vertaald door Theun de Vries, Progres, 1971
L.L. Kasatkin & R.F Kasatkina, ‘Pskovse dialectismen in het sprookje Paardje-Bochelaartje als bewijs van het auteurschap van A.S. Poesjkin’ (Л.Л. Касаткин, Р.Ф. Касаткина, ‘Псковские диалектизмы в сказке «Конёк-Горбунок» как свидетельство авторства А.С. Пушкина’), in: Смыслы, тексты и другие захватывающие сюжеты, Сборник статей в честь 80-летия Игоря Алексадровича Мельчика (Meanings, Texts, and Other Exciting Things, A Festschrift to Commemorate the 80th Anniversary of Professor Igor Alexandrovitch Mel’chuk), ed. by Ju. Apresjan and others, ЯСК, Languages of Slavic Culture, Moscow, 2012, pp 273-282
—, ‘Taal als onpartijdige getuige: Poesjkin als auteur van het sprookje Paardje-Bochelaartje’ (‘Язык — свидетель беспристрастный: А. С. Пушкин — автор сказки «Конёк-горбунок»’), in: Касаткин Л. Л., Избранные труды. Т. II. (Studia philologica.) — М.: Издательский Дом ЯСК, 2017, pp 418-163; dit stuk, het meest complete over de materie, is samengesteld uit stukken die verschenen in 2012 (‘Taal als onpartijdige getuige: het probleem van het auteurschap van Paardje-Bochelaartje’, ‘Язык — свидетель беспристрастный: проблема авторства сказки «Конёк-горбунок»’) in: Известия РАН. Серия лит-ры и языка, Т.71, No.5, 2012, p. 23-45) en in 2015 (‘Enige dialectismes en volkstaal, door P.P. Jersjov ingebracht in de tekst van het sprookje Paardje-Bochelaartje’, ‘Некоторые диалектизмы и просторечия, внесённыые П.П. Ершовым в текст сказки «Конёк-горбунок») in: Язык в пространстве речевых культур. К 80-летию В.Е. Гольдина, red. О.Ю. Крючкова, Л.П. Крысин, М.; Саратов: Амирит, 2015, p. 235-251
Vladimir Kozarovetski, ‘Sprookjes zijn maar een verhaal’ (Владимир Козаровецкий, ‘Сказка – ложь, да в ней намёк’), hier. —, ‘Poging tot plagiaat’ (‘Попытка плагиата’), hier.
—, ‘Poesjkins witwassing’ (‘Пушкиская обналичка’), in: Новые известия, 1 september 2001, hier.
—, ‘Nawoord’ (‘Послесловие’), hier.
Aleksandr Latsis, ‘Geef het paard terug!’ (Александр Лацис, ‘Верните лошадь!’), hier.
Joeri Lotman, Poesjkin (Ю. М. Лотман, Пушкин. Биография писателя. Статьи и заметки 1960-1990), «Евгений Онегин». Комментарий), Искусство-СПБ, 1995
Lilja Paljveleva, ‘Het geheim van Paardje-Bochelaartje’ (Лиля Пальвелева, ‘Тайна “Конька-горбунка”’), 1 april 2012, hier.
Aleksandr Poesjkin, Verzamelde werken in tien delen (Полное собрание сочинений в 10 томах), ‘Academische uitgave’, Издательство Академии Наук СССР, 1956-1958
—, Brieven, vertaald door Sjifra Herschberg, Uitgeverij Van Oorschot, 1988
—,—, vertaald door Hans Boland, Papieren Tijger, 2016
—, Jevgeni Onegin, vertaald door L.H.M. van Stekelenburg en Frans-Joseph van Agt, Atlas, 1994
—,—, vertaald door Hans Boland, Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2012 (Papieren Tijger, 2010)
—, Paardje-Bochelaartje (Александр Пушкин, Конёк-горбунок), ed. V. Pereljmoetter, Moskou, SAM & SAM, 1998
—,—, ed. V. Kozarovetski, Moskou, Praksis, 2009; Moskou, Id Kazarov, 2011
Karel van het Reve, Geschiedenis van de Russische literatuur van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov, G.A. van Oorschot, 1985
Sergej Sjoebin, ‘Wonderbaarlijk zelfportret’ (Сергей Ефимович Шубин, ‘Удивительный автопортрет’), hier.
Elena Sjoevalova, ‘Inleiding. Over Poesjkin als schrijver van Paardje-Bochelaartje’ (Елена Шувалова, ‘Вступление. О пушкинском авторстве Конька-Горбунка’), hier.
Corin Throsby, ‘Byron burning’, in: Times Literary Supplement, 8 juni 2018
Charles B. Timmer, Poesjkin en Onegin, Een essay, Van Oorschot, 1989
—, Avrahm Yarmolinsky en Prof. Dr. B.O. Unbegaun, Over Poesjkin, G.A. van Oorschot, 1958
Kornej Tsjoekovski, Van twee tot vijf: Boek voor ouders (Корней Чуковский, От двух до пяти: Книга для родителей), Pedagogica, 1990; voor het eerst verschenen in 1928 als Маленькие дети (Kleine kinderen). Het boek is in het Duits en in het Engels vertaald, als From Two to Five, door Miriam Morton, University of Californa Press, 1963; en als Kinder von 2 bis 5, door Franz Leschnitzer, Das Kinderbuchverlag, z.j. (1966)
De vertaling
De vertaling is gemaakt naar de eerste editie van oktober 1834. In 1856 verscheen de rampzalige vierde editie, in 1861 de vijfde met nog een klein aantal extra veranderingen, waarop sindsdien alle Russische uitgaves zijn gebaseerd – alsmede de drie eerdere Nederlandse vertalingen (zie de lijst met gebruikte literatuur), die zich weinig of niets van de oorspronkelijke versmaat aantrekken.
Het eerste hoofdstuk van de voorliggende vertaling verscheen eerder in Bij mij op de maan (Van Oorschot, 2016); voor deze uitgave van het sprookje zijn daarin een paar aanpassingen noodzakelijk geweest.
De illustraties van Joeri Vasnetsov zijn afkomstig van Sovjet-uitgaves uit 1934 (Lendetgiz) en 1941 (Detizdat TsK VLKSM) en werden ter beschikking gesteld door Serge Stommels uit de Van Abbe-collectie.
De vertaler ontving voor deze vertaling een beurs van het Nederlands Letterenfonds.
Bovenstaande is de integrale inleiding bij Aleksandr Poesjkin | Александр Пушкин, Paardje Bochelaartje | Конек-Горбунок (voorheen toegeschreven aan Pjotr Jersjov), vertaald naar de eerste uitgave uit 1834 en toegelicht door Robbert-Jan Henkes met de illustraties van Joeri Vasnetsov uit 1934 en 1941, Slavische Cahiers 35, Uitgeverij Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, Amsterdam 2019.
In de boekuitgave dienen in het nawoord de volgende verbeteringen te worden aangebracht (die hierboven al doorgevoerd zijn): 180.4-5: 463-464 -> 393-4 # 182.24: of niet. -> of niet, hoogstens als dooddoener. # 182.26: toch binnen te -> toch in zijn vermeende almacht binnen # 183.17: 1.69 -> 1.67 # 186.27-28: “onlogisch”: schrappen # 186.28: moet beduiden -> beduidt # 187.5-6: verderop verruilt voor de kiel -> verderop aankrijgt in plaats van kiel # 189.5: 1.593-4 -> 1.573-4 # 189.13: 2.464 -> 2.463 # 190.24: 1.305-6 -> 1.304-6 # 190.3 van onder: 1.301-2 -> 1.231-2 # 191.1: 1.478 -> 1.402 # 191, onderste vier regels: hele zin schrappen: “Ook de uitroep ... welsprekende witregel.” # 191, onderste: Ook hier -> En ook hier # 192.1: aanvullingen; -> aanvullingen, waardoor wat strak was slap wordt. # 192.1-5: “; in het laatste .... zullen leven’.” -> [schrappen] # 193.3vanonder: blad voor zijn mond -> blad voor de mond # 195.4: zijn er ook flink -> zijn er flink # 195.23-24: ruziezoeker is maar dat heeft verder geen invloed op -> ruziezoeker is, maar dat heeft verder geen invloed op # 196.27: ‘ja hoor’ -> ‘ja hoor’, ‘lul maar raak’ # 198.4: 3.459 -> 3.454 # 199.15: biografische -> bibliografische # 202.8: tijdschriftuitgave): -> tijdschriftuitgave, Biblioteka dlja tsjtenija, T. III, otd. I, s. 214-234): # 203.24-30: 282; dit .... 45. -> 282 [na "282" schrappen dus] # 203.21: Commemmorate -> Commemorate # 203.31: L.L. Kasatkin & R.F. Kasatkina, -> —, # 204.13 [vóór de L.L. Kasatkin-alinea, drie alinea’s invoegen:] # Pjotr Jersjov, Paardje Bultenaartje (van Peter Ershow), vertaald door Dirk D. de Jongh, eigen beheer, 1950 # —, Het bochelpaardje (van Peter Pawlowitch Jerschoff), vertaald door Piet Schepens, Het Fonteintje, 1951 # —, Het gebochelde paardje (van P. Jersjow), vertaald door Theun de Vries, Progres, 1971 # 204.31: Paljeleva -> Paljveleva # 206.3-4: (Tsjoekovski noemde de vertaling ‘zwak’) -> [schrappen] # 206.11-17: de twee eerdere ... Jersjov als auteur. -> de drie eerdere Nederlandse vertalingen (zie de lijst met gebruikte literatuur), die zich weinig of niets van de oorspronkelijke versmaat aantrekken.
De illustratie is van Joeri Vasnetsov, het vignet op de voorkant van de Russische Lendetgiz-uitgave uit 1934.


Reacties
Een reactie posten