558 Braaien
Het raatsel van Braaien
Kseg tegen me frientje Rop:
‘Kep een goeie van Braaien.
’n Raatseltje is het, geen mop,
en je mag drie keer raaien.
Tis de zoon van me moeder,
(Tis egt moeilijk hoor, Rop!)
maar tis niet me broer.
Nou? Nou? Nou? Geef je het op?
Je geeft het op, hè? Ja hè?
Ik wist het! Je kan het niet raaien!
Oké, dan zeg ik het, komt-ie:
Het antwoord is: Braaien!’
‘Braaien de zoon van je moeder?’
zegt Rop. ‘Je bent niet goed snik!’
‘Ik snap het ook niet, zeg ik tegen Rop,
maar het is wat-ie zei! Hij zei: Ik!’
_____
‘Het is de zoon van mijn moeder maar het is niet mijn broer.’ Een mop met een baard als Sinterklaas en zijn paard. Maar moet hij daarom maar niet meer gemaakt worden? Alleen omdat hij oud is? Zijn dat geen abjecte ageïstische overwegingen? Zulke ouwe meuk is gezonken cultuurgoed, cultureel erfgoed, afgezonken zinkgoed, en zegt de wijsheid niet: Verwerp het slechte en behoud het goede?
En dan nog, de mop is oud, maar hoeveel mensen kennen hem nog? Wordt hij nog wel gemaakt? Op het speelplein door de kleintjes of in natafelse nachtmerries door de grootjes? Of is hij hard toe aan resurrectieve maatregelen? Ik heb er in elk geval een draai aan gegeven door de mop te laten doorvertellen, zodat hij niet meer klopt. Maar nu vraag ik me ineens af: is hij dan nog wel te begrijpen? Je moet wel even terugdenken, achteruit, als je de laatste regel gelezen hebt, en uitvogelen wat er gebeurd kan zijn en bedenken wat er in de mondelinge overdracht mis kan zijn gegaan. En dan wordt het een doordenkertje, een genre waar ik doorgaans niet heel dol op ben, een voorkeur hebbende voor onverwachte dreunen op de hersenpan. Maar misschien heb je het ook wel meteen door, op het moment dat je Ik! leest, of – als je helemaal gis bent – al als je het antwoord Braaien! leest. Wie hem nog steeds niet snapt, mag mij aanschrijven.
Waarom het zo spreektalig is opgeschreven laat zich eenvoudiger raaien. Het moest rijmen en van het een kwam het ander.
_____
De illustratie is een afbeelding van Braaien, zoals ik me hem voorstel, getekend door Nikolaj Koeprejanov – als de alleseter Petja uit Majakovski’s lange poëem Het sprookje van Petja, de dikzak en Sima die dun was uit 1925 (Сказка о Пете, толстом ребенке, и о Симе, который тонкий), vertaald te vinden in Bij mij op de maan blz. 336-352. In het Russisch is de oorspronkelijke uitgave te vinden op het togdazine, hier. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.
Kseg tegen me frientje Rop:
‘Kep een goeie van Braaien.
’n Raatseltje is het, geen mop,
en je mag drie keer raaien.
Tis de zoon van me moeder,
(Tis egt moeilijk hoor, Rop!)
maar tis niet me broer.
Nou? Nou? Nou? Geef je het op?
Je geeft het op, hè? Ja hè?
Ik wist het! Je kan het niet raaien!
Oké, dan zeg ik het, komt-ie:
Het antwoord is: Braaien!’
‘Braaien de zoon van je moeder?’
zegt Rop. ‘Je bent niet goed snik!’
‘Ik snap het ook niet, zeg ik tegen Rop,
maar het is wat-ie zei! Hij zei: Ik!’
‘Het is de zoon van mijn moeder maar het is niet mijn broer.’ Een mop met een baard als Sinterklaas en zijn paard. Maar moet hij daarom maar niet meer gemaakt worden? Alleen omdat hij oud is? Zijn dat geen abjecte ageïstische overwegingen? Zulke ouwe meuk is gezonken cultuurgoed, cultureel erfgoed, afgezonken zinkgoed, en zegt de wijsheid niet: Verwerp het slechte en behoud het goede?
En dan nog, de mop is oud, maar hoeveel mensen kennen hem nog? Wordt hij nog wel gemaakt? Op het speelplein door de kleintjes of in natafelse nachtmerries door de grootjes? Of is hij hard toe aan resurrectieve maatregelen? Ik heb er in elk geval een draai aan gegeven door de mop te laten doorvertellen, zodat hij niet meer klopt. Maar nu vraag ik me ineens af: is hij dan nog wel te begrijpen? Je moet wel even terugdenken, achteruit, als je de laatste regel gelezen hebt, en uitvogelen wat er gebeurd kan zijn en bedenken wat er in de mondelinge overdracht mis kan zijn gegaan. En dan wordt het een doordenkertje, een genre waar ik doorgaans niet heel dol op ben, een voorkeur hebbende voor onverwachte dreunen op de hersenpan. Maar misschien heb je het ook wel meteen door, op het moment dat je Ik! leest, of – als je helemaal gis bent – al als je het antwoord Braaien! leest. Wie hem nog steeds niet snapt, mag mij aanschrijven.
Waarom het zo spreektalig is opgeschreven laat zich eenvoudiger raaien. Het moest rijmen en van het een kwam het ander.
De illustratie is een afbeelding van Braaien, zoals ik me hem voorstel, getekend door Nikolaj Koeprejanov – als de alleseter Petja uit Majakovski’s lange poëem Het sprookje van Petja, de dikzak en Sima die dun was uit 1925 (Сказка о Пете, толстом ребенке, и о Симе, который тонкий), vertaald te vinden in Bij mij op de maan blz. 336-352. In het Russisch is de oorspronkelijke uitgave te vinden op het togdazine, hier. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.


Reacties
Een reactie posten