582 Het zingende nijlpaard, voor stripleesluie lezers verliteratuurd afl. 2

Het Zingende Nijlpaard door W. Vandersteen
in de verliteraturing van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes

Wat voorafging. Na een poppenkastvoorstelling te hebben bijgewoond, raken Lambik en Wiske in zo’n felle discussie verwikkeld over de herkomst van een door Lambik gezongen liedje (Zuid-Afrikaans of Noord-Afrikaans?), dat Lambik de macht over het stuur verliest en met zijn Citroën tegen een overstekende boom aanknalt. Hij komt niet bij zijn positieven en moet per auto naar huis worden gebracht. Tante Sidonie stuurt Wiske naar haar bed en belt een dokter uit het zijne. Lees nu voort.

Hoofdstuk 2 De dokter komt

   Dokter Pistoors van het Medisch Centrum Pittevil te Vilvoorde was al een oude man die er niet van hield om ’s nachts uit zijn bed te worden gebeld. Vroeger was dat anders. Toen hij nog haar had. Lang geleden. Als hij nu zijn haar had willen laten groeien kon dat niet: niet dat hij al lang haar had, maar hij was zo kaal als een aal, zo kaal als de volle maan. Als verloren haren spijt was, had hij inmiddels een heleboel spijt.
   Vroeger. Toen zijn zoon Ivan nog thuis woonde en nog niet naar Amerika was vertrokken om toneelknecht te worden.
   – Vader ik ga!
   – Het mocht tijd worden!
   Had Aloysius Pistoors gezegd, want om eerlijk te zijn, zoonlief met zijn insectenverzameling en zijn microscoop en zijn scheikundedoos, en zijn neiging om achter het behang zijn bloedeloze diertjes te zoeken, werd hem een last die anderen maar moesten dragen, en bij voorkeur zoonlief zelf.
   Vroeger was dat anders. In illo tempore. Toen zijn vrouw nog leefde. In die eerste Lievevrouwkensdagen werd zij ziek. En op een witte, klamme morgen van stomende nevel waarachter de zon broeide en wachtte, was zij gestorven. Het geschreeuw van de pauwen, telkens de korte trompetstoot met de galm erna, was het laatste geluid dat zij voor het invallen van de duisternis uit de tuin had gehoord. Hij zag het in haar gewelde oren. Jaren had hij aan de zijde van zijn vrouw geleefd, zonder goed te weten wat in haar de gelijkmoedigheid onderhield en, trots weliswaar haar futiele klachten, de tevredenheid met haar lot. De moeder de vrouw. Hij had haar alles gegeven. Zij kende de onderkant van kast en ledikant. En toen hij had bespeurd hoe de nevel van de tijd in de ogen van zijn vrouw de vonken kwam doven, haar wangen verweren, haar voorhoofd doorklieven, had hij machteloos gestaan. Mooie dokter ben ik! Zo gingen jaren heen. De zware, grijze lucht bleef wegen over de wereld.
   Vroeger was dat anders. Toen hij nog jong was. Een jonge broekemans. ‘Kwistenbiebel’ werd hij genoemd. Omdat hij altijd las. Alle zeven verboden boeken had hij onder zijn vrijmetselaarsschort verborgen en hij kende ze van binnen en van buiten. Aloysius kon zich niet herinneren dat hij zich als kind ooit verveeld had. Ook kon hij zich slechts moeizaam aan de indruk onttrekken dat hij altijd gelukkig was geweest. Tot het moment dat hij niet gelukkig meer was. En nu was hij oud. Hoe kan een beschreven blad opnieuw maagdelijk wit worden? Onmogelijk. Niets is onmogelijk. Maar dat wel.
   Op een dag waren de eerste tekenen merkbaar. En nu dacht hij: ik ben ter dood veroordeeld. Hij had nooit geboren mogen worden. Hij voelde dat hij doodging, misschien heel binnenkort. Midden in de nacht kan men mij uit bed bellen en dan mag ik nog één wens doen: dat ik niet midden in de nacht uit bed gebeld word. Dat is mijn lot. Dat is het lot van de dokter met weekend- en avonddienst, al kan ik mij niet herinneren dat dit een onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de hippocratische eed, die immer staat tussen droom en daad. Want doodslaan, nee, dat deed hij niet. En levend maken, nee, dat kon hij niet.
   ‘Ik zweer bij Apollo, de Genezer, bij Asclepius, bij Hygieia, bij Panacea en alle goden en godinnen, hen tot getuigen makend, naar mijn vermogen en oordeel dezen eed, deze verbintenis ten uitvoer te zullen brengen. De geneeskundige behandeling zal ik aanwenden ten nutte der zieken naar mijn vermogen en oordeel; van hen houden wat ten verderve of tot letsel kan zijn. Ik zal aan niemand, ook niet op zijn verzoek, enig dodelijk middel toedienen, noch mij lenen tot enig advies van dien aard, evenmin zal een vrouw een pessarium voor miskraam van mij bekomen. Ik zweer geen steenlijders te zullen snijden. Waar ik een woning binnentreed, zal ik dat doen in het belang der zieken, mij onthouden van elke moedwillige verkeerde behandeling, in het bijzonder van lijfsgenot met vrouwen en mannen, hetzij vrijen of slaven. Al wat ik tijdens de behandeling zal zien of horen, of ook buiten de praktijk in het leven der mensen, voor zover dit nimmer mag worden rondverteld, zal ik verzwijgen, ervan uitgaand dat zulke dingen geheimen zijn. Moge, indien ik dezen eed in vervulling breng en niet breek, het mij wel gaan in leven en kunst en moge ik bij alle mensen te allen tijde eervol bekend staan; bij overtreding echter en meineed moge het tegendeel mijn lot zijn.’
   Daar werd niets gezegd over bij nacht en ontij je bed uit moeten omdat een of andere zatlap in een dikke, opgestapelde mist in zijn kop tegen een boom is gereden. Laat ze de wegenwacht bellen! Laat ze een boomzalver raadplegen! Die boom heeft het meer nodig dan die levensmoede dwaas, die zijn eigen wil verdoen wil tegen een beukenboom.
   Dokter Pistoors trad binnen in het huis dat eens het zijne was geweest. Stil, stil is de hoge kamer. Nog steeds. Grote houtblokken brandden in de haard. Hij luisterde naar de wind die als een vlam tegen de deur sprong. Doorgaans had hij geen plankenkoorts maar thans, op deze ellendige novemberavond, met een motregen die de dappersten van de straat veegde, voelde hij zich alsof hij helemaal niks meer wist en alles wat hij ooit had geleerd over de medicijnen in één klap was vergeten, een gevoel dat koorddansers hebben vlak voordat zij naar beneden storten. Hij voelde zich eenvoudig zwijnenmatig slecht.
   ‘Men zegt ons: Zoek de mens!’, platonisch imperatief en variante op het gnoothi seauton van de ouden, maar met dit zoeken zal veeleer het leren kennen worden bedoeld. Zoek jezelf, broeder ... Wat een toeval: dit huis.
   Buiten blonk de bleke avondmaan twijfelachtig in het zuiden en was al met een kleed van nachtwolken omgeven, terwijl haar schimmige reflectie zich glinsterend in elke aardse waterplas en poel herhaalde en de witte asem der aarde als een onvatbaar weefsel aan de toppen der bomen hing; Binnen opende bij het ontgrendelen van de knip de gesloten dokterstas zich met voorzichtige tederheid om de heelmeester toegang te verschaffen tot de stethoscoop en het hamertje met de rubberen kop die daarin lagen te wachten op zijn hand als katten om gestreeld te worden.
   – Hij is nog altijd verdoofd, dokter. ’t Zal toch geen hersenschudding zijn, zeker?
   Tante Sidonie stond in de kamer tegen de deur, die zij geen twee seconden geleden met beide ellebogen had toegeduwd. Ze riep, voordat ze de deur dichtsloeg, nog even de gang in dat het tijd was voor Wiske om naar bed te gaan.
   – We zullen eens zien, zei dokter Pistoors, die een greep deed in zijn dokterstas op het notenhouten bijzettafeltje. Ik kan er misschien een schedelboringske van maken.
   Een lichte trepanatie om dat geprangde en gorgelende gemoed en die hallucinerende hersens wat lucht te geven. God wat riekt het hier. Het hout van vroeger. Toen alles nog anders was. Maar nu is alles hetzelfde. Ach, kon ik maar breken met het heden. En niet met het verleden in plaats van het heden. Voelen zonder pijn, gaat dat? Dokter, dokter!
   Aloysius Stephanszoon Pistoors boog zich voorover en klopte met zijn hamertje-tik, gelijk een filosoof van goeden huize en groten snorre, op het geschonden aangezicht van Lambik, geheel en al expres, terwijl hij de kin van de patiënt ondersteunde met zijn linkerhand, waardoor hij even moest denken aan Hamlet. Aylazen, arme Lambik. Ach, arme Lambik. Waar zijn je schimpscheuten nu, je capriolen, je liedjes, je vrolijke invallen waarvan iedereen aan tafel moest brullen van de lach? Niet een meer, om de draak te steken met je eigen gegrijns, al je levenslust kwijt. Kom, ga Sidonie opzoeken in haar kamer en zeg haar: ‘Verf je gezicht duimendik op en dit is het uiteindelijke resultaat.’ Kijk of ze daarom kan lachen!
   Dokter Pistoors luisterde aandachtig terwijl zijn gedachten steeds verder afdwaalden van de kust van zijn redelijkheid, zijn plichtsbetrachting en zijn dokterspraktijk. Ik ken hem niet eens, dacht hij terwijl hij nogmaals op de schedelpan van de patiënt tikte. Hoewel het een vaste klant is in mijn patiëntenbestand. De laatste keer was deze gekalibreerde kwibus souffrerende aan de apenziekte, waartegen hij per ongeluk was ingeënt in de dierentuin. Hij lag in bed met zijn bolhoed op. Ik kreeg er geen verstandig woord uit, geen onverstandig woord ook niet trouwens. Geen boe of bah. Geheel van de kaart. Buiten westen. Ik heb de ongelukkige familie hetzelfde advies gegeven dat mijn collega ooit aan Bismarck gaf toen die niet wilde antwoorden op onze intieme doktersvragen: ‘Laat een veearts komen.’ Hoe is dat toen ook weer afgelopen met die apenziekte? Ik weet te weinig van deze man. En hoe kan ik hem ooit leren kennen? Iedereen heeft wel iets waar je nooit achter komt. Ja, alles wel beschouwd is er altijd ‘iets’. En niets waar ik wat aan kan doen. Toen we overal nog machteloos bijstonden als doktoren, toen was er respect voor ons beroep. Nu worden ze boos als we de doden niet tot leven wekken. ‘Ge hebt toch z’n DNA?’
   De dokter ging opnieuw aan de andere kant van het bed staan, klopte weer voorzichtig op de zesharige schedelpan. De patiënt mompelde buitensmonds:
   – Binnen!
   – En ik zei: Bonjour! antwoordde Pistoors verbaasd.
   De patiënt was een halvegare. Overduidelijk. Dat zag ik meteen, en zijn grappen hebben hem niet verlaten, anders dan ik aanvankelijk vreesde. Maar zijn het dan nog wel grappen, als ze zelfs onbewust en bewusteloos worden gemaakt? Wee wie te rijk, te trots, te machtig is, want dan breekt aan het jaar van Nemesis, de nurkse zuster, de zwarte nachtbruid van de zon. Dan rij je pardoes tegen een boom en is het met je gedaan. Wee wie te dwaas is. Wee wie te gelukkig is. Wee iedereen. Ofschoon in het bezit van een optimistische geest vraag ik me soms af of ik van nature geen pessimist zou zijn. Een schedelbreuk. Hopeloos. Wat zeg ik de familie? Dat ze het verschil waarschijnlijk niet zullen zien. Of zal ik ze doorverwijzen naar mijn collega in Sycaruse? Hij lachte hol, vreugdeloos en inwendig in zichzelf, onhoorbaar voor alles en iedereen behalve zijn eigen innerlijk oor. En de Heer hierboven, die alles hoort, maar wijselijk Zijn mond houdt. Net als mijn vrouw, mijn vrouw des verbonds, in gedweeë deemoed gezeten aan Zijn zij.
   – Hm. Klinkt wat hol en is precies wat gebarsten, maar de reacties zijn nog normaal. Madam, wij moderne doktoors zijn niet veel meer van zeggen. Maar voor een vaste klant doen we al eens iets ... Wel ... meneer Lambik heeft een soort ... dinges en ge moet u dus niet ongerust maken. Maar laat hem ’s nachts niet alleen want er zouden wrede dingen kunnen gebeuren ...
   En daarmee neemt dokter Pistoors afscheid van Sidonie, boven wier hoofd zich een reusachtig vraagteken vormt, omdat ze weinig fiducie heeft overgehouden aan het consult. Ha, ‘zijt maar gerust ...’ Hij heeft makkelijk praten, dacht ze. Maar ik hou van die man, ja, ik hou van die man. Honderd zorgen, een tiende aan tobberijen, en is er één die mij begrijpt in een duizend jaar der nachten?

[wordt vervolgd]
_____

Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes bewerken Willy Vandersteen, DW&B 152:4, september 2007, 671-675. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

583 Het zingende nijlpaard verliteratuurd afl. 3

580 Verstrippen en verliteraturen

159 You bounder! You cheat!

30 Owl and the Moon

342 De hond en zijn mens

38 De rekkelijken en preciezen

581 Het zingende nijlpaard verliteratuurd afl. 1

579 Eigenlijk het mooiste woord

575 Gulliver met driehonderd: raaskallen