589 Over het moeten wijken van bepaalde exactheden bij het vertalen van Infinite Jest
Het is een vreemd boek, dat Infinite Jest. De eerste alinea gaat zo:
I am seated in an office, surrounded by heads and bodies. My posture is consciously congruent to the shape of my hard chair. This is a cold room in University Administration, wood-walled, Remington-hung, double-windowed against the November heat, insulated from Administrative sounds by the reception area outside, at which Uncle Charles, Mr. deLint and I were lately received.
Het is duidelijk – of wordt dat spoedig in elk geval – dat hier iemand aan het woord is die zich in een op knappen zo strak staande staat van spanning bevindt. De zinnen ademen een curieuze preciositeit, een bijna maniakale afstandelijkheid, alsof de werkelijkheid op armlengte afstand gehouden moet worden om te voorkomen dat lichaam en geest instorten. Hal, de woordenthousiasteling die de hele halve Oxford English Dictionary uit zijn geheugen kan oplepelen, spreekt-denkt-beschrijft hier met opeengeklemde kaken en een geforceerde grijns. Veel later in het boek komen we erachter dat Hal Incandenza, de ik uit deze passage, die een paar bladzijden verderop met geweld kennelijk (zeker is het niet, alles wordt in dit eerste hoofdstukje vanuit zijn perspectief beschreven) tegen de grond wordt gewerkt om hem in de hand te houden – dat Hal, die zich hier, op deze eerste bladzijden, voor een prestigieuze universiteit komt aanmelden, hoogstwaarschijnlijk is gedrogeerd met het ‘ongelofelijk krachtige’ narcoticum DMZ, een nitazeen van voor de gesponsorde tijdrekening, hem door vriend Pemulis mogelijk stiekem toegediend. Bij mij staat er nu:
Ik zit in een kantoor, omgeven door hoofden en lijven. Mijn houding komt overwogen overeen met de vorm van mijn rigide stoel. Het is een koude ruimte in de universiteitsadministratie, houtbeslagen, met Remingtons behangen, dubbelbeglaasd tegen de novemberhitte, afgeschermd van administratief lawijd door de receptieruimte buiten, waar oom Charles, meneer deLint en ik zonet zijn gerecipieerd.
Het woord recipiëren staat niet in de door mij gebruikte betekenis in het woordenboek. Toch vroeg de vertaling erom: in het Engels staan reception area en received niet voor niets zo dicht bij elkaar. Hier zitten we in het brein van een waarschijnlijk hopeloos hallucinant gedrogeerde woordenfreak, vandaar ook het gemarkeerde lawijd en het overwogen. De Remingtons overigens zijn wildewesten-taferelen van de Amerikaanse schilder Frederic Sackrider Remington (1861-1909), geen typmachines van het gelijknamige merk, en evenmin fungeren ze als behang, wat er feitelijk, woordelijk, letterlijk staat met mijn met Remingtons behangen.
Je kan best idioom letterlijk vertalen, als dat een passend effect geeft. Twee voorbeelden. De dekaan sport wordt in hetzelfde eerste hoofdstuk beschreven als iets zeggend ‘with his head out from under his wing’ – wat ik vrij beeldend vind en daarom ook vertaal met ‘met zijn hoofd boven zijn vleugel’, om een looiige ondergeschikte constructie als ‘die zijn hoofd van onder zijn vleugel vandaan steekt’ of iets dergelijks te vermijden. Het woord wing, aldus het woordenboek, kan ook jargon zijn voor arm en dan vooral werparm – maar aangezien de dekaan sport net nog een kleine vogelfiguur genoemd is, kan vleugel hier gewoon vleugel blijven. To promote, leren we in Infinite Jest, is Bostons dialect voor jatten, joepen, snaaien, snezen, zich wederrechtelijk toeëigenen. Je hebt een schatkist aan Nederlandse equivalenten, maar ik vond het wel aardig, voor de couleur locale, om het met promoveren te vertalen. Dan kennen wij dat woord voortaan ook in die betekenis. Ik veroorloof me in Eindeloos vertier ook woorden als beidbeens en bomenclatuur, die er niet staan in het Engels, en ook raar gestelde zinnen als: ‘U meneer, bent heel wel mogelijk iets mankerende.’ Lenz, die – ook grappig – wel eens wat fouten tegen zijn eigen moedertaal maakt, heeft het op zeker moment over zijn aqua-line nose, wat natuurlijk moet zijn aquiline, een geintje waar DFW Infinite Jest laat wemelen. Ik maakte ervan adelsneus, een verbasterde adelaarsneus dus. DFW heeft ook de hebbelijkheid om zinnen soms met wel drie voegwoorden achter elkaar te beginnen: ‘And so but’ of ‘But so and’ of andere constellaties. Dat houd ik ook in stand, je went er wel aan en dan wordt het vanzelf leuk.
Ook goed werkt Vlaams, voor de verrijking van de talige soep die Eindeloos vertier is. Ergens laat ik een van de ongelukkigste en ellendigste en wreedste figuren van het boek, Stanley Lenz, van krommenaas gebarend terugkuieren naar de zaal. Een mooie uitdrukking. Als je niet weet wat het is blijft hij evengoed mooi. En als je hem opzoekt, steek je er nog wat van op ook. Win-win. Verderop gebruik ik het woord pappaard, volkomen begrijpelijk in de zinsnede kreeg de kleine pappaard Randy bij een vroege jeugdherinnering van dezelfde Lenz. Zulke woorden veraangenamen de lectuur, is mijn rotsvaste overtuiging. Daarvan gaan je hersens wapperen, gaat je verbeelding aan het werk, en wil je automatisch doorlezen. Toen je klein was en een heleboel woorden niet wist, las je ook gewoon door? De woorden werden magisch. Sowieso moeten we terug naar de manier van lezen toen we kind waren. Niet teveel denken, gewoon op je in laten werken.
Nu ik de vondsten en vondstjes zo uit elkaar pluk als het draadjesvlees van een overgare kip, merk ik dat ik daarmee het boek, de roman, geen recht doe, met losse woorden en losse zinnetjes. Alles krijgt pas glans in de context. Het gaat om het geheel, de toon van het geheel, de woorden zijn eigenlijk niet meer dan een aanleiding, een kapstok, een excuus bijna voor de toon: de toon wordt gedragen door wat er niet gezegd wordt, het wit. Het wordt steeds waarder, mijn adagium dat je moet vertalen wat er niet staat – ook door de onderliggende redenering ex negativo: zien wat ontbreekt, opmerken wat er niet staat is uit de aard der zaak moeilijker dan zien wat er wel staat, maar het is eigenlijk veel belangrijker.
In een kinderboek dat ik vertaalde, over een rotmeisje en een rotmonster en een stinkend rijke rotzak (die overigens alle drie veel te snel veel te aardig en te lief en te klef worden) treedt er ook een sprekende duif op die soms haar bijval laat horen over iets wat gezegd wordt, en dan vertaal ik dat zij het er roekoerend mee eens was. Je kan op je vingers natellen dat dat er in het Engels niet stond. En als ik het monster laat zeggen over zichzelf dat hij zo vurschruk-kul-luk slecht was, dan klinkt daar in het Engels niet de verwijzing naar het leven is vurrukkulluk van onze eigen Randy Campert mee, sterker nog, in het Engels klinkt er helemaal niets mee met wat het monster zegt.
Bij het vertalen is er eerst het enthousiasme en je laten meeslepen. En vervolgens de moed om wat je verzonnen hebt te laten staan. Zoals de grote vertaler Pé Hawinkels het zegt: ‘Je zoekt een equivalent voor een bepaalde stijl, en daar moeten bepaalde exactheden voor wijken.’
_____
Het is nog niet gedaan met het eindeloos vertier rond Eindeloos vertier. Als we de dedicated substack moeten geloven, hier, en waarom zouden we dat niet, zijn er komende maand ampele gelegenheden om medelezers te ontmoeten, en wel op deze data en plekken: dinsdag 2 juni in Walry, Gent, woensdag 10 juni de derde avond van de Wintertuin-leesclub bij Heiman, Arnhem, donderdag 11 juni in De Balie, Amsterdam (NEEN! die is verplaatst naar begin sepetember, is het laatste nieuws), dinsdag 16 juni in Het Voorwoord, Heist-op-den-Berg, en vrijdag 19 juni bij Writers Unlimited, Den Haag. Over Pé Hawinkels schreef ik eerder hier. Meer over IJ/EV is op te zoeken via het doorlopend register van blog 345, hier.
I am seated in an office, surrounded by heads and bodies. My posture is consciously congruent to the shape of my hard chair. This is a cold room in University Administration, wood-walled, Remington-hung, double-windowed against the November heat, insulated from Administrative sounds by the reception area outside, at which Uncle Charles, Mr. deLint and I were lately received.
Het is duidelijk – of wordt dat spoedig in elk geval – dat hier iemand aan het woord is die zich in een op knappen zo strak staande staat van spanning bevindt. De zinnen ademen een curieuze preciositeit, een bijna maniakale afstandelijkheid, alsof de werkelijkheid op armlengte afstand gehouden moet worden om te voorkomen dat lichaam en geest instorten. Hal, de woordenthousiasteling die de hele halve Oxford English Dictionary uit zijn geheugen kan oplepelen, spreekt-denkt-beschrijft hier met opeengeklemde kaken en een geforceerde grijns. Veel later in het boek komen we erachter dat Hal Incandenza, de ik uit deze passage, die een paar bladzijden verderop met geweld kennelijk (zeker is het niet, alles wordt in dit eerste hoofdstukje vanuit zijn perspectief beschreven) tegen de grond wordt gewerkt om hem in de hand te houden – dat Hal, die zich hier, op deze eerste bladzijden, voor een prestigieuze universiteit komt aanmelden, hoogstwaarschijnlijk is gedrogeerd met het ‘ongelofelijk krachtige’ narcoticum DMZ, een nitazeen van voor de gesponsorde tijdrekening, hem door vriend Pemulis mogelijk stiekem toegediend. Bij mij staat er nu:
Ik zit in een kantoor, omgeven door hoofden en lijven. Mijn houding komt overwogen overeen met de vorm van mijn rigide stoel. Het is een koude ruimte in de universiteitsadministratie, houtbeslagen, met Remingtons behangen, dubbelbeglaasd tegen de novemberhitte, afgeschermd van administratief lawijd door de receptieruimte buiten, waar oom Charles, meneer deLint en ik zonet zijn gerecipieerd.
Het woord recipiëren staat niet in de door mij gebruikte betekenis in het woordenboek. Toch vroeg de vertaling erom: in het Engels staan reception area en received niet voor niets zo dicht bij elkaar. Hier zitten we in het brein van een waarschijnlijk hopeloos hallucinant gedrogeerde woordenfreak, vandaar ook het gemarkeerde lawijd en het overwogen. De Remingtons overigens zijn wildewesten-taferelen van de Amerikaanse schilder Frederic Sackrider Remington (1861-1909), geen typmachines van het gelijknamige merk, en evenmin fungeren ze als behang, wat er feitelijk, woordelijk, letterlijk staat met mijn met Remingtons behangen.
Je kan best idioom letterlijk vertalen, als dat een passend effect geeft. Twee voorbeelden. De dekaan sport wordt in hetzelfde eerste hoofdstuk beschreven als iets zeggend ‘with his head out from under his wing’ – wat ik vrij beeldend vind en daarom ook vertaal met ‘met zijn hoofd boven zijn vleugel’, om een looiige ondergeschikte constructie als ‘die zijn hoofd van onder zijn vleugel vandaan steekt’ of iets dergelijks te vermijden. Het woord wing, aldus het woordenboek, kan ook jargon zijn voor arm en dan vooral werparm – maar aangezien de dekaan sport net nog een kleine vogelfiguur genoemd is, kan vleugel hier gewoon vleugel blijven. To promote, leren we in Infinite Jest, is Bostons dialect voor jatten, joepen, snaaien, snezen, zich wederrechtelijk toeëigenen. Je hebt een schatkist aan Nederlandse equivalenten, maar ik vond het wel aardig, voor de couleur locale, om het met promoveren te vertalen. Dan kennen wij dat woord voortaan ook in die betekenis. Ik veroorloof me in Eindeloos vertier ook woorden als beidbeens en bomenclatuur, die er niet staan in het Engels, en ook raar gestelde zinnen als: ‘U meneer, bent heel wel mogelijk iets mankerende.’ Lenz, die – ook grappig – wel eens wat fouten tegen zijn eigen moedertaal maakt, heeft het op zeker moment over zijn aqua-line nose, wat natuurlijk moet zijn aquiline, een geintje waar DFW Infinite Jest laat wemelen. Ik maakte ervan adelsneus, een verbasterde adelaarsneus dus. DFW heeft ook de hebbelijkheid om zinnen soms met wel drie voegwoorden achter elkaar te beginnen: ‘And so but’ of ‘But so and’ of andere constellaties. Dat houd ik ook in stand, je went er wel aan en dan wordt het vanzelf leuk.
Ook goed werkt Vlaams, voor de verrijking van de talige soep die Eindeloos vertier is. Ergens laat ik een van de ongelukkigste en ellendigste en wreedste figuren van het boek, Stanley Lenz, van krommenaas gebarend terugkuieren naar de zaal. Een mooie uitdrukking. Als je niet weet wat het is blijft hij evengoed mooi. En als je hem opzoekt, steek je er nog wat van op ook. Win-win. Verderop gebruik ik het woord pappaard, volkomen begrijpelijk in de zinsnede kreeg de kleine pappaard Randy bij een vroege jeugdherinnering van dezelfde Lenz. Zulke woorden veraangenamen de lectuur, is mijn rotsvaste overtuiging. Daarvan gaan je hersens wapperen, gaat je verbeelding aan het werk, en wil je automatisch doorlezen. Toen je klein was en een heleboel woorden niet wist, las je ook gewoon door? De woorden werden magisch. Sowieso moeten we terug naar de manier van lezen toen we kind waren. Niet teveel denken, gewoon op je in laten werken.
Nu ik de vondsten en vondstjes zo uit elkaar pluk als het draadjesvlees van een overgare kip, merk ik dat ik daarmee het boek, de roman, geen recht doe, met losse woorden en losse zinnetjes. Alles krijgt pas glans in de context. Het gaat om het geheel, de toon van het geheel, de woorden zijn eigenlijk niet meer dan een aanleiding, een kapstok, een excuus bijna voor de toon: de toon wordt gedragen door wat er niet gezegd wordt, het wit. Het wordt steeds waarder, mijn adagium dat je moet vertalen wat er niet staat – ook door de onderliggende redenering ex negativo: zien wat ontbreekt, opmerken wat er niet staat is uit de aard der zaak moeilijker dan zien wat er wel staat, maar het is eigenlijk veel belangrijker.
In een kinderboek dat ik vertaalde, over een rotmeisje en een rotmonster en een stinkend rijke rotzak (die overigens alle drie veel te snel veel te aardig en te lief en te klef worden) treedt er ook een sprekende duif op die soms haar bijval laat horen over iets wat gezegd wordt, en dan vertaal ik dat zij het er roekoerend mee eens was. Je kan op je vingers natellen dat dat er in het Engels niet stond. En als ik het monster laat zeggen over zichzelf dat hij zo vurschruk-kul-luk slecht was, dan klinkt daar in het Engels niet de verwijzing naar het leven is vurrukkulluk van onze eigen Randy Campert mee, sterker nog, in het Engels klinkt er helemaal niets mee met wat het monster zegt.
Bij het vertalen is er eerst het enthousiasme en je laten meeslepen. En vervolgens de moed om wat je verzonnen hebt te laten staan. Zoals de grote vertaler Pé Hawinkels het zegt: ‘Je zoekt een equivalent voor een bepaalde stijl, en daar moeten bepaalde exactheden voor wijken.’
Het is nog niet gedaan met het eindeloos vertier rond Eindeloos vertier. Als we de dedicated substack moeten geloven, hier, en waarom zouden we dat niet, zijn er komende maand ampele gelegenheden om medelezers te ontmoeten, en wel op deze data en plekken: dinsdag 2 juni in Walry, Gent, woensdag 10 juni de derde avond van de Wintertuin-leesclub bij Heiman, Arnhem, donderdag 11 juni in De Balie, Amsterdam (NEEN! die is verplaatst naar begin sepetember, is het laatste nieuws), dinsdag 16 juni in Het Voorwoord, Heist-op-den-Berg, en vrijdag 19 juni bij Writers Unlimited, Den Haag. Over Pé Hawinkels schreef ik eerder hier. Meer over IJ/EV is op te zoeken via het doorlopend register van blog 345, hier.

Reacties
Een reactie posten