584 Het zingende nijlpaard verliteratuurd afl. 4 in aanbouw
in de verliteraturing van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes
[Dit bleef bij een opzetje, niet meer dan de uitgeschreven Vandersteense tekst. Moest nog aan gewerkt worden.]
Zo loopt hij door de stad, ogen dicht en armen op oneindig voor zich uitgestrekt. Waar gaat hij henen? Ja waarhenen gaat hij?
Op een bouwterrein staat de champetter zich te warmen bij een vuurkorf van een dakloze zwerver die daarnaast in een buitenplee zit te schuilen.
– Verdorie! zegt de oplettende pietje poppesnor. Er loopt er ene op de ‘travos’! Die gaat in ’t water sukkelen!
– Laat hem gerust, garde, zegt de onderdakte dakloze. Dat is een slaapwandelaar, daar moogt ge u nooit mee moeien.
– Tut! Tut! zegt oom agent. Ik heb niet dikwijls de gelegenheid om een decoratie te verdienen.
Hij sprint Lambik achterna, die een plank oploopt en in een volgelopen bouwput dreigt te flikkeren, maar met dat hij erop rent, wipt de plank, waardoor Lambik wordt gekatapulteerd naar de overkant van de put terwijl onze bromsnor met zijn neus op de terugwippende plank terechtkomt.
– Ik zei het nog, hè, zegt de zwerver. Gerust laten zei ik, hè?
Lambik loopt almaar rechtdoor en komt tenslotte in een Oudheidkundig Museum terecht. Ondanks het nachtelijk uur staat de deur open. Als hij niet sliep had hij kunnen zien dat het slot verwrongen was, wat erop wijst dat er voor hem iemand zich toegang verschafte ...
Statig schrijdt Lambik door de duistere gangen van zaal I, Egypte. Bij het bordje ‘Hoeden en regenschermen verplichtend in bewaring geven’ zet hij zijn bolhoed op het hoofd van een Egyptisch borstbeeld. Maar de nachtwaker waakt, of is net wakker geworden.
– Ziet ge wel! Mijn waakzame oren hebben wel degelijk iets gezien!
En met geheven ploertendoder komt hij achter de nachtwandelende nachtwandelaar in pyama aan.
– Ik zal die eens rap een ferme tik op zijn schrobber geven!
Doch plots krijgt de waker zelf een formidabele klop, dat de sterren en planeten ervan uit zijn pet springen.
– Zo, nu kan ik rustig naar de Gouden Trompet zoeken, mompelt prins La-Meling, degene die aan de goede kant van de knuppel stond, met de nachtwaker in bewusteloze toestand aan zijn voeten. De prinsen hadden vernomen dat de Gouden Trompet in het Museum was. Daar het Museum al gesloten was, besloot prins Tof-fentip tot de volgende dag te wachten. Doch La-Meling, die maar een valsaardige is en liever zelf met prinses Banylon zou trouwen, sloop des nachts weg om de Gouden Trompet te gaan pikken en Tof-fentip voor te zijn, de laaghartige! En daar ziet hij hem reeds hange aan de mummiekist van Tutankoffi de Eerste!
– Ha! Ha! Ik heb geluk! Ik heb ze! Voor Tof-fentip wakker is ben ik in een vliegtuig op weg naar Egypteland!
Doch op dit ogenblik dondert er in een belendende zaal een antieke vaas tegen de glimmende grond, als de pilaar waarop de vaas stond wordt omgekegeld door een passerende kat die een gepaniekeerde muis achternazit. Pats! zegt de vaas. Wat? schrikt de prins. Onraad?! Ik maak dat ik hier wegkom! En hij rent achterom kijkend naar de uitgang door de geheel verlaten en uitgestorven gangen. Geheel verlaten en uitgestorven? Neen, met een vlammende knal knotst prins La-Meling op onze Lambik dat de gensters eraf vliegen en slaat dan ijlings op de vlucht. Lambik zet echter onverstoorbaar zijn slaapwandeling voort en ... komt bij dageraad behouden thuis.
’s Morgens vraagt tante Sidonie aan Wiske of ze Lambik z’n ontbijt en gazet wil brengen.
– En Wiske, zeg enkel ‘Dag Lambikske’, want hij mag niet weten dat hij geslaapwandeld heeft. Dat zou hem enkel op de zenuwen werken.
Wiske reikt hem het dienblad aan en zegt volgens afspraak louter ‘Ha! Dag Lambikske!’
– Morgen, Wiske! Hewel? ... Gij doet zo aardig! Wat is er?
– Jamaar, zeg, Lambik, ge moet aan mij niks vragen, hè! Ik mag toch niet zeggen dat gij geslaapwandeld hebt ... dat is niet goed voor uw zenuwen, jong!
Wiske verdwijnt schielijks en Lambik mijmert in bed over haar vreemde uitspraken.
– Dat is weer iets nieuws! Ik? Slaapwandelen? Dat is zeker een uitvindsel van Sidonie. Die moet altijd zo met de een of andere flauwekul voor de pinnen komen.
Dan verslikt Lambik in zijn ochtendkoffie bij het lezen van Het Nieuwsblad van het Zuiden.
– Hemel!!? ... Wat lees ik hier!? ‘Nachtelijke overval in het Oudheidkundig Museum. Nachtwaker neergeslagen. Diefstal van de Gouden Trompet!! ... De vermoedelijke dader, een man in lichthemelsblauwe pyama die zich als slaapwandelaar voordeed, is voortvluchtig. Ter plaatse werd een stomme bolhoed gevonden ...’ Pff, ik maak me weeral zorgen! Omdat ik toevallig een hemelslichtblauwe pyama heb ...
Als Lambik uit bed stapt en de krant achteloos over zijn schouder werpt, valt onder zijn deken vandaan ... – De gouden trompet!? dan ... dan heb ik in mijn slaap ... een diefstal begaan! Een boef ben ik! Een afschuwelijke gemene boef! Een pikkendief! Mijn hemd plakt aan mijn rug van schaamte! O! Waar is de tijd van mijn Eerste Communiezieltje?
Lambik die niet weet dat tijdens de botsing met prins La-Meling de trompet tussen zijn vest is gegeleden, voelt zich schuldig. Vol schaamte bekijkt hij het portret van een klein Bikske ten tijde van zijn eerste communie, met stiekeltjekapsel en in matrozenpak. O de dagen van weleer!
– Ik ben gebroken. Mijn ziel moet eruitzien als een blinkdoos ... zwarte blink, natuurlijk. Maar ik zal boeten. Weg ... Ver weg gaan ... nog wegger. En in de vergeten vergetelheid zal ...
Er wordt aangebeld. Lambik blikt uit het raam van de slaapkamer.
– Verdorie! ... Een agent! Ze hebben me nu al te stekken!
Beneden doet Wiske open.
– Hola, een agent. Voor wat is ’t, meneer?
– Hm! Gij weet zeker van niks?
Maar Lambik wel. Hij heeft zich aangekleed en komt met gebogen hoofd en de armen vooruitgestoken naar de voordeur toegelopen.
– Man der wet! Laat dat onschuldig wicht met rust. Hier ben ik. Doe mij de boeikes maar aan!
– Boeikes? Bijlange niet! Ik kom zeggen dat ge direct uw vuilnisbak moet binnen pakken!
Lambik komt met de schrik vrij, maar hij beseft dat hij geen minuut rust meer zal hebben en neemt een kloek besluit. En als Wiske en tante Sidonie staan af te wassen volgens het aloude beproefde rollenpatroon begint Wiske zich toch weer zorgen te maken.
– Zeg tante, ge moet de Lambik weer in ’t oog houden, hoor. Sedert dat auto-ongeval doet hij maar raar.
– Wel, ge zegt daar zo iets, Wiske. Ik zal hem eens wat gaan opkikkeren.
Maar als ze boven aan zijn slaapkamerdeur klopt, wordt er niet opengedaan. De deur zit op slot. En als Sidonie, Suske en Wiske eindelijk binnendringen, zien zij dat Lambik weg is en een brief heeft achtergelaten. Tante Sidonie leest hem voor.
– Och hemeltje toch! ... ’t Ziet er weer lief uit! Luister ... ‘Beste vriendjes en ook Sidonieke. Als gij zult hebben komen de gazet te lezen, zult gij weten dat ik een ellendelinger ben daar alsdat ik de gouden trompet ben komen te gaan stelen. Om u de schande te besparen ben ik naar Afrieka vertrekkende om bij het Vreemdelingenlegioen mijn misstap te boeten. Vaarwel en saluut! Uw toegenegende Lambik.’
– Kinderen, zegt tante Sidonie, terwijl ze een kaarsje aansteekt voor een beeldje van de heilige Christofoor, dit is ... snik, dit is ... snik, alles wat we kunnen doen ...
[wordt vervolgd]
Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.


Reacties
Een reactie posten