593 Afsluiten uitbuiken nawoorden

   Wat is er fijner dan je na een vertaling te kunnen afreageren met een notenapparaat en een nawoord? Je zit er nog helemaal in, weet alles over de stijl en de toon, kent de hebbelijkheden van de auteur als je broekzak, zit tsjokvol ter zake dienende kennis. Je hebt dingen in het boek opgemerkt die nog niemand ooit opmerkte, native reader of niet. Je bent dé expert. Er heeft eventjes niemand zoveel recht van spreken als jij. En recht = plicht. Dus: doen. Oké, niet alle boeken lenen zich voor een nawoord. Recente literatuur (die waan van de dag) moet zich eerst maar eens bewijzen. Boeken waar je minder je hart en ziel in hebt kunnen leggen mogen ook onbenawoord blijven. Maar magnifieke, relatief onbekende schrijvers van iets ouder datum een introducerend opkontje geven, je vertalerslicht laten schijnen over klassikaners, kwesties aankaarten, ontdekkingen delen, dat is alleen maar interessant.

   Maar hoe? Maar wat? Ik heb daarvoor best een aardig procédé uitgevonden, waardoor het wat minder afschrik- en ontzagwekkend wordt (‘Kan het boek niet voor zichzelf spreken?!’ ‘Wat kan ik daar nog aan toevoegen?!’ ‘Ik weet niks!’) en kan bijdragen tot het broodnodige afreageren. Wat doe ik namelijk: ik lees tijdens het vertalen alles wat los en vast zit, teken alles aan wat ik nog niet wist en wat ik interessant vind en waar ik het mijne over denk. Dan typ ik alles waar ik streepjes bij gezet heb, alle kreten in de marge over, gewoon, als losse aantekeningen, of iets uitgewerkter al tot regels en zinnen en (half) geformuleerde ideeën, maar heel schetsmatig, in stukjes en beetjes, en wanneer de vertaling af is, zoek ik in de uitgeprinte aantekeningen een min of meer voltooide gedachte om mee te beginnen en dan probeer ik al verder schrijvende zoveel mogelijk van mijn aantekeningen te gebruiken – als ik er een verwerkt heb streep ik hem door. Ik schat dat ik uiteindelijk gemiddeld zo’n twintig procent benut.

   Andermans teksten en ideeën zijn heel goed om je tegen af te zetten en je eigen gedachten te helpen formuleren, maar mijn uitgangspunt is dat ik nieuwe dingen opschrijf, dingen die ik leuk vind, feiten die ik nog niet wist, en die achter elkaar plak. In het nawoord bij de verzameling Russische kindergedichten Bij mij op de maan had ik over vrijwel alle kinderdichters mij onbekende biografische bijzonderheden opgeschreven, te beginnen met de fabeldichter Ivan Krylov. Toen dacht ik: moet daar dan nog niet een algemene inleiding bij over de Russische kinderpoëzie van toen tot nu? Maar zo’n algemene inleiding zou uit de aard der zaak heel algemeen worden, van dik hout zaagt men planken en lange halen snel thuis, iets om vlug over te slaan, en wat bleek inderdaad: het nawoord kon prima zonder. Ook voor Omtrekkende Bewegingen van Sergej Dovlatov reeg ik mijn aangetekende feiten uit de literatuur aaneen zonder me te bekreunen om een verzorgd verhaal – de rode draad kwam al schrijvende wel. Het belangrijkste was een hoge, wikipediakennisloze feitendichtheid. Een probleem had ik met de memoires van Anatoli Mariëngof, Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen, omdat ik zijn drie kortromans, Cynici, Roman zonder leugens en De geschoren mens al zo uitgebreid uitgeleid had met alle mogelijke feitenmateriaal over de imaginistische dichter, zijn bent en zijn tijd, aangevuld met vertaalde gedichten, levensschetsen, manifesten en proclamaties en wat niet al, een hoge hoed vol. Ik kwam erachter dat er van Mijn eeuw twee redacties bestonden, subtiel anders, dus toen heb ik me daarop gericht: waarin verschillen ze en wat zegt het over Mariëngof en de tijdgeest. Maar toen moest ik voor de allerlaatste memoires van Mariëngof, Pak aan, nageslacht!, opnieuw wat anders verzinnen, want ik was wel zo’n beetje uitgeïnleid. Toen heb ik Mariëngof postuum geïnterviewd over Rusland en de Russen, en hem laten antwoorden met de gruwelijkste citaten uit zijn boeken. Heel grappig en verbazend actueel. Onvermijdelijk heb je sowieso altijd twee brillen op, die van jezelf en je voorkeuren, obsessies en vooroordelen, en die van het heden. Daarom zit er plotseling in Alice in Wonderland een ultramoderne ecoroman verstopt waarin niet alleen mensen wilsbekwaamheid hebben en legt Antonin Artaud in De Indiaanse Cultuur de vinger op de wonde plek van de beschaving – waarmee zich een onweerstaanbaar haakje opdringt voor een nawoord.

   Het is altijd leuk als je iets ontdekt wat niemand of bijna niemand nog wist. In Het Dalkey-archief van Flann O’Brien ontdekte ik dat de eerste versie van het manuscript in de ik-vorm was geschreven en dat de schrijver het op verzoek van zijn niet-begrijpende vrienden in de hij-vorm had overgezet, wat een heel andere leeservaring geeft. Bovendien wist ik de hand te leggen op een contemporaine theaterbewerking die de humor overeind hield maar de verontrustende, ongemakkelijke wereldbeschouwing van de schrijver veronachtzaamde, en een vergelijking tussen de twee genres was heel nuttig voor begrip van het boek. Voor Bij mij op de maan vertaalde ik een deel van de eerste uitgave van de Russische kinderklassieker Konjok-Gorboenok (Paardje-Bochelaartje) van Pjotr Jersjov, maar die tekst verschilde in toon, vorm, humor, alles zo hemelsbreed van de versie die Jersjov zevenentwintig jaar later als ‘definitieve’ publiceerde, dat ik ervan overtuigd raakte dat de tekst van Poesjkin was, die onder Jersjovs naam was uitgekomen en die Jersjov zich later had toegeëigend en had vernield. Dus toen vertaalde ik het hele 2296 regels tellende poëem onder Poesjkins naam en voegde een uitgebreid nawoord toe waarin ik hiervoor mijn redenen gaf, geschraagd door de bevindingen van een luttel aantal Russische tekstgeleerden die geheel onafhankelijk van mij tot dezelfde onomstotelijke conclusie waren gekomen.

   Nawoorden bij klassiekers zijn het dankbaarst en ondankbaarst. Je hebt ruime keus om je tegen eerdere vertaalopvattingen af te zetten, met allerhande sprekende voorbeelden desnoods, maar anderzijds, is dat leuk? Voor mijn herherherherherherherherherhervertaling van Der Struwwelpeter, wat bij mij Ragbolrinus werd, bestudeerde ik alle vroegere vertalingen plus de hele curieuze ontstaansgeschiedenis van het boek, en ik schreef een nawoord van welgeteld vijftigduizend woorden, waar de uitgever helaas geen plaats voor bleek te hebben in de boekuitgave. Voorgangers bestuderen is sowieso heel nuttig voor je eigen focus: wat jij precies wil wordt in een oogwip duidelijk als je anderen consulteert. Bij Alice in Wonderland (en In Spiegelland) kwam daar bij dat ik allengs al lezend in de literatuur en vlijtig aantekeningen makend ook mijn eigen ideeën kreeg over het verhaal en wat Carroll ermee wilde uitspoken: de toon bleek steeds duidelijker honderd procent ingesteld op het vertellen van persoon tot persoon, de interactie tussen Charles Lutwidge Dodgson en Alice Liddell, met alle steken en steekjes onder water en dubbele vertelbodems van dien, waardoor ik me in het nawoord, ‘Liefdevolle gekmakerij’, op die sfeer en die toon kon richten en ik mijn vertalende voorgangers goddank alleen in het notenapparaat hoefde te laten langskomen. Dat nawoord, merk ik als ik het weer overlees, heeft net als het boek een onmiskenbare aliceaanse plagerige toon, en dat is niet vreemd. Al vertalend raak je zo verknoopt met de stijl van het boek, dat een nawoord schrijven werkt als een soort therapie, om af te kicken, het uit je systeem te krijgen, om nog even door te kabbelen, te freewheelen, uit te rijden, uit te buiken in dezelfde stijl, maar dan niet met maar over wat je net vertaald hebt. Irene Iddesleigh van Amanda McKittrick Ros heeft op die manier onbedoeld en onbewust maar niet verkeerd ook een tamelijk over-the-top amandesk nawoord gekregen, waarin ik – met nog steeds als leidraad mijn uitgetypte aantekeningen en losse gedachten – in volle ernst mijn verbouwereerdste verbluffing uitspreek over de onwaarschijnlijk bloemrijke schrijfster en ik haar zogenaamd ‘slechtste roman aller tijden’ de lucht in steek als een triomf van de vrijheid van de literatuur, maar wat door de gisse totaal bange verironiseerde tot doodsheid verdorde goegemeente voor ironie werd gehouden, want nee, dat kon je toch niet menen?! Ik ben nooit ironisch, knekelhuizen!

   Van een vertaalproject waar je genoeg liefde en tijd in geïnvesteerd hebt, ben je na afloop niet zomaar verlost. Alles wat je daarna schrijft, ademt of je het nu wil of niet een tijdlang de sfeer, de stijl, de toon van het project, dus je kan er net zo goed je voordeel mee doen. Toen ik eenenvijftig waanzinnig knap in elkaar zittende liedjes van de Russische minstreel Vladimir Vysotski (zingbaar én leesbaar) had vertaald en ik wilde voor een voor- of nawoord mijn aantekeningen aan elkaar plakken, werd het een bijzonder saai en droog verhaal, en ik wist wel waarom: Vysotski’s levensverhaal vroeg erom te worden verteld in een liedje in zijn geest. Bepaalde zinnen die ik aangetekend had liepen wonder boven wonder al in het juiste balladeritme, dus toen kon ik met enig kunst- en vliegwerk ook mijn andere aantekeningen omvormen tot een ‘Informatieve ballade over het machtige leven en werk van de zelfdestructieve raspende krakende orakelende bard-grappenmaker-profeet die zelfs de medeklinkers p en k tot welluidende proporties kon oprekken Vladimir Vysotski (1938-1980)’, zoals de titel is, waarbij ik vooral trots ben op het begrip ‘informatieve ballade’. De eerste van de twaalf strofes:

Op achtentwintig juli van het jaar negentienhonderdtachtig –
mascotte Misjka lachte je toe op elke straathoek van de Ring,
de zonne scheen olympisch onbegrijpelijkerwijs maandagtig –
kon er afscheid worden genomen in Taganka-theaterkring.

   Maar het kan nog erger uit de klauw lopen, een nawoord, als de oertekst bezit van je genomen heeft en je in haar greep houdt. In het onsterfelijke revolutie-poëem De 12 van Aleksandr Blok uit 1918 lopen twaalf roodgardisten rovend en brandschattend door de sneeuwjacht van nachtelijk Petrograd en uiteindelijk worden ze voorafgegaan door Jezus de Christus met een rood vaandel. Verwarrender, ambivalenter en schitterender kun je het niet krijgen. Dat smeekte om een vervolg, een Intocht van Christus in Petrograd, als vervolg op De Intocht van Christus in Amsterdam, de twee evangeliën die Erik Bindervoet en ik van boven ingefluisterd kregen als vervolg op De Intocht van Christus in Brussel van James Ensor. Zodat na het slot van De 12 nog een hele stoet volgde die de roodgardisten volgde die Jezus volgden, en in die stoet kwam tout Petrograd voorbij, plus meerdere Jezusfiguren, evangelisten, vertalers, tekstgeleerden, Blok en zijn adders van vrienden, de hele revolutie zoals Blok hem in zijn innerlijk oor hoorde, alles, Petroesjka, Johan Cruijff, Gorki, Stenka Razin, iedereen. Toen de stoet de straat uit was en mijn aantekeningen geplunderd, was het nawoord in aantal bladzijden equivalent aan Bloks gedicht en in aantal woorden het drievoudige, en zag de uitgever zich genoodzaakt het als medegedicht op de kaft van de uitgave van De 12 te zetten.

   Niet alle uitgevers zijn van nawoorden gediend. Domein van Dovlatov was zo’n prachtboek dat een nawoord feitelijk overbodig was – vond ook de uitgever, terwijl je het aan de andere kant natuurlijk van de daken wil schreeuwen, hoe mooi het is. Als tussenoplossing schreef ik een met redenen omkleed postscriptum getiteld ‘Lees dit niet, lees het boek’ – een ideaal dekkende titel voor ieder nawoord. De uitgever van Dublinezen stuurde het nawoord dat Erik Bindervoet en ik schreven bij de vertaling van Dubliners terug met hele bladzijden zo fanatiek doorgehaald dat de pen door het papier was gegaan, terwijl wij serieus onze vertaalkeuze voor de titel Dublinezen toelichtten en ook werkelijk iets nieuws ontdekt hadden over de vertelstem in het boek en Joyce’ stijl van scrupulous meanness, de narigheid en karigheid. Uiteindelijk kon alles blijven staan en was dit tegelijkertijd de laatste keer, in mijn ervaring, dat een uitgever bezwaar maakte tegen een nawoord van ons of een onzer.

   Uitgevers zijn inmiddels, heb ik de indruk, wel blij met een nawoordje toe bij een vertaling: dan hebben de recensenten, die wel steeds jonger maar zelden belezener worden, iets om over te schrijven (en iets om over te schrijven). Je kan er ook geld voor vragen, wat helemaal fijn is, meestal iets in de regio van 200 of 300 euro. Bij Van Oorschot krijg je 75 euro per bladzijde, tot een maximum van tien bladzijden, dus het is wel zaak dat je de tien haalt. En het Letterenfonds gooit er ook nog plusminus hetzelfde afgesproken bedrag bovenop, en dat voor iets wat je helemaal zelf mag verzinnen en nog goed is voor je geestelijke gezondheid ook. Plus leuk om te doen. Het moet niet veel gekker worden.
Genoemde werken, aflopend chronologisch:

Vladimir Vysotski, Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis, Een halfhonderd en een chansons, Benerus, 2025
Antonin Artaud, De indiaanse cultuur, Vleugels, 2025
Lewis Carroll, Alice in Wonderland & in Spiegelland, Van Oorschot, 2024
Heinrich Hoffmann, Ragbolrinus, M10, 2024
Flann O’Brien, Het Dalkey-archief, Koppernik, 2024
Sergej Dovlatov, Omtrekkende bewegingen (vier romans), Van Oorschot, 2023
Aleksandr Blok, De 12, Vleugels, 2023
Amanda McKittrick Ros, Irene Iddesleigh, Vleugels, 2023
Anatoli Mariëngof, Pak aan, nageslacht!, Pegasus, 2023
Anatoli Mariëngof, Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen, De Arbeiderspers, 2022
Anatoli Mariëngof, Roman zonder leugens, Pegasus, 2022 (Perdu, 1997)
Anatoli Mariëngof, Cynici, Pegasus, 2022 (Perdu, 1995)
Anatoli Mariëngof, De geschoren mens, Pegasus, 2021
Sergej Dovlatov, Domein, Vleugels, 2020
Aleksandr Poesjkin, Paardje-Bochelaartje, Slavische Cahiers 35, Pegasus, 2019
Bij mij op de maan, Een keuze uit de Russische kindergedichten vanaf de zeventiende eeuw, Van Oorschot, 2016
James Joyce, Dublinezen, Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2016
Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, De Intocht van Christus in Amsterdam, Tweede evangelie, De Harmonie, 2006
Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, De Intocht van Christus in Amsterdam, Rothschild & Bach, 1990
_____

Dit stuk verscheen eerder in Filter, tijdschrift over vertalen 32:2 september 2025, 69-76. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

592 Eindeloos voorlezen

452 De geschiedenis van stouten Jan

589 Over het moeten wijken van bepaalde exactheden bij het vertalen van Infinite Jest

342 De hond en zijn mens

53 Anton Tsjechovs ome Charles

539 Pé

499 Infinite Jest

345 Register & Inhoud VandaagsVertaalProbleem (cumulatief)