595 Eindeloze humor
Amerikaanse schrijvers hebben altijd een moeizame relatie met humor gehad. Ze zijn te serieus, en lijden vaak aan het ‘I wanna be a writer’-syndroom. Schrijver zijn vinden ze belangrijker dan schrijven zelf. Vaak hebben ze lessen in creative writing gehad, wat je makkelijker aanleert dan weer ontleert en hoe dan ook door alles heenschijnt. ‘En wat doet u?’ vroeg James Frazer, de auteur van The Golden Bough aan Joyce toen ze in de Bibliothèque Nationale aan elkaar waren voorgesteld, ergens midden jaren twintig, en Ulysses al door menige koffietafel was gezakt. ‘Ik schrijf,’ antwoordde Joyce simpelweg. Ook Judith Herzberg zegt liever dat ze dicht dan dat ze een dichter is, ‘want je weet maar nooit, of het de volgende keer weer lukt.’ Dit in tegenstelling tot het gros der zich schrijvers noemenden, die slechts schrijven om zich schrijver te kunnen noemen. En vandaar: elke vorm van humor ontberen. De eerste en laatste die het kwam aanwaaien is Mark Twain. Die vertaalde zelfs Der Struwwelpeter (voorheen Piet de smeerpoets, tegenwoordig Ragbolrinus) in het Engels – als Slovenly Peter. En goed ook.
See this frowthy “cratur”
Pah! It’s Struwwelpeter!
On his fingers rusty,
On his tow-head musty,
Scissors seldom come...
Ook dat hoort bij humor: je bent ermee geslagen of je niet. Veinzen kan niet. Ernst, ja, die kan geveinsd worden – maar daarvoor heb je (paradoxaal genoeg) humor nodig. Het is een gemis dat Amerikaanse schrijvers zelf ook voelen. En proberen te overschreeuwen. Vaak met machismo. Of met sentimentaliteit. Of met als machismo verpakte sentimentaliteit. Dat laatste nog het vaakste. Tranen trekken is zoveel makkelijker dan de lachspieren kietelen. Van een wat spottende en zelfspottende wereldblik ga je minder snel schrijven dan als je alles loodzwaar en bloedserieus ziet. Maar: er zijn uitzonderingen. Schrijvers die een wat verheven en onthechte blik op de mensheid hebben en vooral op zichzelf. Swift. Joyce. En in zekere mate DFW.
DFW heeft ter verluchtiging van zijn fundamenteel ernstige onderstroom een oplossing gevonden, of liever gezegd twee, die in de juiste verhoudingen gemengd in Eindeloos vertier dat wonderlijke en niet na te maken element opleveren, humor.
Eén is DFW spint scènes net zo lang uit tot ze door de overdaad grappig worden. En dat werkt. De woordenvloed, normaal gesproken grafomaan en obsessief, krijgt bij hem een andere dimensie door de enorme taalvrijheid en woordenrijkdom die hij zichzelf toestaat. Hij laat niet het intellect (de plot, de schrijver) het werk doen, maar de taal en de personages die de taal bezigen. Character-driven en language-driven. Met meeslepend resultaat – zo meeslepend zelfs dat je wel door moet lezen ook als je denkt dat je van alles over het hoofd ziet. Met een glimlach die een tijdlang niet van je gezicht te slaan is. (Bij mij althans.)
Twee is, hij steelt als de raven. Broodjes aap (urban legends), tekenfilmsituaties, Monty Python-sketches, zelfs waar Hamlet en Ulysses opduiken: altijd fungeert andermans werk als een soort comic relief. Eerder beschouwde ik al die rondgestrooide verwijzingen als een soort onvermijdelijke geintjes. Dingen waar je als mens en schrijver nu eenmaal mee rondloopt in je hoofd en die er af en toe uit willen. Maar daar denk ik inmiddels wat ongenuanceerder over. Ik denk dat DFW expres gebruik maakt van andermans situaties omdat ze werken. En inderdaad.
Mooi voorbeeld is het telefoongesprek tussen Hal en Orin over de suïcide van hun vader (Eindeloos vertier, p. 257-274). De scène is onder meer zo effectief omdat Hal tijdens het gesprek zijn teennagels knipt, waarvan de flinters wonderbaarlijkerwijze, in een kan-niet-missen-flow, vrijwel allemaal rechtstreeks in de prullie verdwijnen, zonder dat hij er zijn best voor doet. Hetgeen DFW rechtstreeks ontleent aan Seymour, an Introduction van J.D. Salinger, waarin de broer van de verteller een wonderbaarlijke hand van knikkeren heeft, omdat het hem niets kan schelen of het hem lukt of niet. Helemaal zen.
En nu ik Seymour, an Introduction weer opensla, valt me ook op hoezeer Mario gebaseerd is op Seymour. Alles gejat. Dus hartstikke goed. Eindeloos vertier is, zoals Joyce over Finnegans Wake zegt, the last word in stolentelling.
_____
Meer over Ragbolrinus, en meer over IJ/EV is op te zoeken via het doorlopend register van blog 345, hier.
See this frowthy “cratur”
Pah! It’s Struwwelpeter!
On his fingers rusty,
On his tow-head musty,
Scissors seldom come...
Ook dat hoort bij humor: je bent ermee geslagen of je niet. Veinzen kan niet. Ernst, ja, die kan geveinsd worden – maar daarvoor heb je (paradoxaal genoeg) humor nodig. Het is een gemis dat Amerikaanse schrijvers zelf ook voelen. En proberen te overschreeuwen. Vaak met machismo. Of met sentimentaliteit. Of met als machismo verpakte sentimentaliteit. Dat laatste nog het vaakste. Tranen trekken is zoveel makkelijker dan de lachspieren kietelen. Van een wat spottende en zelfspottende wereldblik ga je minder snel schrijven dan als je alles loodzwaar en bloedserieus ziet. Maar: er zijn uitzonderingen. Schrijvers die een wat verheven en onthechte blik op de mensheid hebben en vooral op zichzelf. Swift. Joyce. En in zekere mate DFW.
DFW heeft ter verluchtiging van zijn fundamenteel ernstige onderstroom een oplossing gevonden, of liever gezegd twee, die in de juiste verhoudingen gemengd in Eindeloos vertier dat wonderlijke en niet na te maken element opleveren, humor.
Eén is DFW spint scènes net zo lang uit tot ze door de overdaad grappig worden. En dat werkt. De woordenvloed, normaal gesproken grafomaan en obsessief, krijgt bij hem een andere dimensie door de enorme taalvrijheid en woordenrijkdom die hij zichzelf toestaat. Hij laat niet het intellect (de plot, de schrijver) het werk doen, maar de taal en de personages die de taal bezigen. Character-driven en language-driven. Met meeslepend resultaat – zo meeslepend zelfs dat je wel door moet lezen ook als je denkt dat je van alles over het hoofd ziet. Met een glimlach die een tijdlang niet van je gezicht te slaan is. (Bij mij althans.)
Twee is, hij steelt als de raven. Broodjes aap (urban legends), tekenfilmsituaties, Monty Python-sketches, zelfs waar Hamlet en Ulysses opduiken: altijd fungeert andermans werk als een soort comic relief. Eerder beschouwde ik al die rondgestrooide verwijzingen als een soort onvermijdelijke geintjes. Dingen waar je als mens en schrijver nu eenmaal mee rondloopt in je hoofd en die er af en toe uit willen. Maar daar denk ik inmiddels wat ongenuanceerder over. Ik denk dat DFW expres gebruik maakt van andermans situaties omdat ze werken. En inderdaad.
Mooi voorbeeld is het telefoongesprek tussen Hal en Orin over de suïcide van hun vader (Eindeloos vertier, p. 257-274). De scène is onder meer zo effectief omdat Hal tijdens het gesprek zijn teennagels knipt, waarvan de flinters wonderbaarlijkerwijze, in een kan-niet-missen-flow, vrijwel allemaal rechtstreeks in de prullie verdwijnen, zonder dat hij er zijn best voor doet. Hetgeen DFW rechtstreeks ontleent aan Seymour, an Introduction van J.D. Salinger, waarin de broer van de verteller een wonderbaarlijke hand van knikkeren heeft, omdat het hem niets kan schelen of het hem lukt of niet. Helemaal zen.
En nu ik Seymour, an Introduction weer opensla, valt me ook op hoezeer Mario gebaseerd is op Seymour. Alles gejat. Dus hartstikke goed. Eindeloos vertier is, zoals Joyce over Finnegans Wake zegt, the last word in stolentelling.
Meer over Ragbolrinus, en meer over IJ/EV is op te zoeken via het doorlopend register van blog 345, hier.

Reacties
Een reactie posten