Elke zoveel tijd een vertaalvraagstuk uit de praktijk, door Robbert-Jan Henkes [rjhenkes apestaartje xs4all punt nl].
Volgen? Ontvolgen? Op de hoogte gehouden worden of juist niet? Schrijf me een mailtje!
536 Vandaags vertaalprobleem is morgense dag literatuur
[wordt vervolgd]
_____
Hier op togdazine. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.
Wie De speld leest, kan het NOS-nieuws niet anders meer zien dan als satire. Of liever gezegd: als een reportage van een uit zichzelf satirische wereld. Als plagiaat van De speld . Sterker nog: wie De speld leest, hoeft het NOS-nieuws niet meer te lezen: in De speld staat alles veel korter, krachtiger, onverbloemder en ook – misschien zelfs belangrijker – met meer gevoel voor de onderliggende actuele tendenzen en eeuwige menselijke hebbelijkheden. Misschien had het De spijker moeten heten, omdat ze altijd de spijker op de kop slaan. En nu willen ze een papieren krant uitgeven. Zodat je echt helemaal niks anders meer nodig hebt qua nieuwsvoorziening. In de laatste dagen van de crowdfunding stuurden ze een mooi gedicht naar de abonnees. Ik weet niet of het als gedicht bedoeld is, maar het leest als gedicht, tenminste de reeks die met ‘Mensen’ begint. Lees, en crowdfund ze. _____ Om de Speld Krant binnen...
Ik las een tijdje terug in een stukje op neerlandistiek de frase Wat zou ik moeite geven om koning te worden indien het mij mogelijk is te beseffen, dat ik reeds koning ben. Precies! dacht ik. En ik moest lachen. Als meer mensen zich dit maar eens zouden beseffen en inprenten. Dan was er niet zoveel blinde ambitie in de wereld. Minder Trumps en minder Poetins. Minder sycofanten en hielenlikkers die hopen dat het koningschap ook op hun afstraalt. Of dat ze er in elk geval een graantje van kunnen meepikken. Sowieso veel minder ongelukkigen die worden voortgejaagd op hersenschimmels om iets te bereiken. Iets waarvan ze niet weten dat ze het al hebben. En ik moest denken aan de wijze uitspraak Wil je gelukkig zijn? Wees het! Ook moest ik denken aan de onsterfelijke uitspraak Waarom je nog verroeren, als je allerheerlijkst kunt reizen in een leunstoel ? Maar hoe doe je dat? Hoe ben je koning zonder het te worden...
Ik denk dat dit een kietelliedje is. Of misschien een hop-paardje-hop: Een oehoeboeroe krik-krak vrouwtje sprong oehoeboeroe krik-krak touwtje, het touwtje brak en het oehoeboeroe krik-krak vrouwtje met een oehoeboeroe krik-krak smak viel op haar oehoeboeroe krik-krak gat, en dat was dat. Maar wat is een oehoeboeroe krik-krak vrouwtje ? Oehoeboeroe – veel mensen weten dat niet, maar ze kunnen het altijd aan hun opa of oma vragen, die het dan weer aan hun opa of oma kunnen vragen – is de uil uit de verhalen van Paulus de Boskabouter van Jean Dulieu. We hadden er een boekje van thuis met kleurenprenten op aparte bladzijden gedrukt. De heks heette Eucalypta weet ik ook nog. Van de poppenseries die ervan geweest zijn kan ik me niets herinneren – misschien vielen die in de verschillende periodes dat we geen tv hadden. Of misschien was ik e...
Het eerste boek dat ik zelf las: ik herinner het me nog goed. Ik lag op mijn buik in de kamer. Op het blauwe tapijt. En ik las. De letters. De woorden. De tekst. Ik keek niet alleen de plaatjes, maar ik las. En het ging! Het ging zo makkelijk. Het ging bijna vanzelf. Zo vanzelf dat ik helemaal niet door had dat ik een bepaalde bladzijde wel twee, drie, vier, vijf keer achter elkaar las. Toen ik het wel doorkreeg was ik boos op mezelf. Niet dat ik het niet gemerkt had. Niet dat er kennelijk van wat ik precies las niets tot me doordrong. Maar dat ik het boek dan minder snel uitkreeg. En het moest snel, kennelijk. Om mezelf te laten zien hoe snel ik kon lezen. En nu las ik één bladzijde vijf keer achter elkaar, zonder het door te hebben. En gewoon vergat om de bladzijde om te slaan. Wat ik daarna ook wel een beetje raar vond, dat ik dat niet door had. Dat ik niet had begrepen wat er stond. Onbegrijpend lezen, met ogen open slapend dat was mijn eerste lezen. Hoeveel had i...
Ik vertaal nu tussen alle bedrijven door een rijk geïllustreerd en kort betekst sympathiek kinderboek over het ‘hebben’ van een hond uit het Russisch, en daar heb ik meteen al een gedeelte van mijn vertaalprobleem te pakken. Want dat zeg je zo in het Nederlands, je hebt een hond, wat meteen de scheve verhouding weergeeft. Een hond wordt gehad en de mens is het baasje , de choziaïn in het Russisch en in het Engels is het nog een graadje bezittelijker want daar is het de owner . Taal vormt het denken, het was Karl Kraus die op die zere plek het eerst zijn vinger legde. De smerige Groote Oorlog (de eerste, niet de laatste) werd voor Duitse oren verteerbaar, ja eerbaar gemaakt door afgesleten metaforen als ten strijde trekken , met open vizier strijden , het zwaard opnemen , en door het kreperen in de loopgraven een heldendood te noemen, uit vaderlandsliefde begaan. Politici maken er nog steeds gebruik van, bijvoorbeeld door de verdelgingsmissie van...
Dan verveel je je en weet je niet wat je moet doen en ideeën heb je verder ook niet en dan loop je wat heen en weer tussen de kast en de muur en tussen de kluiten en het riet, ijsberend met je lege hoofd onder je arm, en pak je lukraak een boek, en dat boek sla je lukraak open en dan staat er: Drei Hasen tanzen im Mondschein im Wiesenwinkel am See: Der eine ist ein Löwe, der andre eine Möwe, der dritte ist ein Reh. Dat is leuk, denk je. Dat is heel leuk, denk je. Dat is heel erg leuk zelfs, denk je. En: onvertaalbaar in zoverre als iets ooit onvertaalbaar kan zijn (nooit). Maar: veel werk! En het gedicht loopt nog door, Drei Hasen blijkt het te heten met als ondertitel tussen haakjes Eine groteske Ballade, en de tweede strofe van negen regels en de derde van vijf zijn lang niet zo leuk, tenminste, ze zijn wel leuk, maar gaan erop door, hoe dat kan dat de ene haas een leeuw is, de andere een meeuw en de derde een ree, en het antwoord daarop is...
– Kijk mij eens lekker leggen, zei ik. Waarop ik, voor de gein: – Dat ken je zo niet zeggen, tenminste denk ik volgens mijn. Ik boos: – Je ziet me leggen toch? Of maggen we dat niet? Wat bomt het wat hun zeggen? Het is gewoon hoe ik het ziet. Uit. Een versje geïnspireerd op en door en in en uit een Russisch versje waarin de klemtonen niet gelegd worden waar ze normaal gesproken thuishoren, een folkloristisch versje dat iedereen kent en geheel en al anoniem is, omdat niemand zijn of haar naam heeft willen zetten onder deze aan de laars lapperij van de niet overal even heldere of consequente en daarom door jonge taalleerders dikwijls met veel fantasie en vermakelijkheid toegepaste Russische accentregels, juist als ze de regels doorkrijgen en het correct willen doen. Het gaat zo, en de bewuste klemtonen zijn vetgedrukt en in kapitaal: я си жу на бере гу не мо гу под нять но ГУ не но ГУ , а но гу все равн о не МО гу Verletterlijkt: ...
Toespraak uitgesproken in De Balie, Amsterdam, op 6 maart 2026 bij een avond over Eindeloos vertier / Infinite Jest van David Foster Wallace. Goedenavond tesamen. Dat ik hier sta als vertaler van het boek om voor enig, vooral kortstondig inleidend vertier te zorgen is – als ik mij goed geïnformeerd heb – eigenlijk een godswonder op zich, waarvoor de vlag gerust uit mag. Want vertalers – zo bereikten mij de afgelopen tijd berichten van collega-vertalers die dit aan den lijve ondervonden – lijken zelden tot nooit te worden uitgenodigd om op een literaire gelegenheid hun licht te laten schijnen over een boek naar aanleiding waarvan die literaire gelegenheid georganiseerd is, dat wil zeggen het boek waarover zij zo vele zweetdruppels uitgegutst hebben om het in alle ootmoed aan de voeten van het Nederlandstalig leespubliek neder te vlijen. Neen! Laten wij dat niet doen! is het gedacht van de organiserende instanties, vertelden mi...
Men schrijft. En men kan er verder niet veel over vertellen. Men kan er echter wel met evenzovele woorden over zwijgen. Wijdlopig zwijgen. Woordenrijk zwijgen. Trek een rookgordijn van woorden op. Vlucht achter de kachel. Noem het gedicht. Niet de kachel, maar het rookgordijn. Wit het gedicht. Wat is, is niet in de woorden. De rook is het vuur. Niet wat erachter ligt. Niet wat erin ligt. Niet ik. Niet gij. Maar men. Men schrijft. Men schrijft. Pensgewijs. Seismisch. Met dien verstande. Met dien verstande Tussen tien voor twintig over één en vijf voor kwart voor half twee – elke dag opnieuw weer niet – gaan de mensen in dit stadje met z’n twee alleen met geen van beide anderen mee – maar niemand die het ziet. Men heeft het altijd wel gewist: het wordt steeds vroeger buiten – elke dag opnieuw weer...
Yorick noemt Frits Fruts en Frits noemt Yorick Horrik. Dat vinden ze leuk. Het zijn elkaars beste vrienden. Maar zoals dat gaat onder beste vrienden, er zijn wel eens onenigheidjes die tot schermutselingen en zelfs handgemeen leiden. Zoals laatst. Toen had Yorick Frits zijn voetbal en die wou hij niet teruggeven. Terwijl het Frits zijn bal was. Frits had de dag ervoor weliswaar Yorick zijn bal expres zo hard gepunt dat hij lekgeraakt was en onherstelbaar naar de vaantjes, maar dat kwam omdat Yorick de dag daarvoor Frits expres in de sloot geduwd had, tenminste, Yorick zei dat het per ongeluk was, maar Frits wist heel goed dat het expres was. Zulke dingen voel je gewoon. Dus. Dat is voorzover ze het zich kunnen herinneren. Dus toen zegt Frits: – Als je nu mijn bal niet teruggeeft, Horrik, nu onmiddellijk meteen, denk ik niet dat je direct nog leeft, met of zonder arm of been. En Yorick zegt dan: ...
Reacties
Een reactie posten