Elke zoveel tijd een vertaalvraagstuk uit de praktijk, door Robbert-Jan Henkes [rjhenkes apestaartje xs4all punt nl].
Volgen? Ontvolgen? Op de hoogte gehouden worden of juist niet? Schrijf me een mailtje!
536 Vandaags vertaalprobleem is morgense dag literatuur
[wordt vervolgd]
_____
Hier op togdazine. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.
Toespraak uitgesproken in De Balie, Amsterdam, op 6 maart 2026 bij een avond over Eindeloos vertier / Infinite Jest van David Foster Wallace. Goedenavond tesamen. Dat ik hier sta als vertaler van het boek om voor enig, vooral kortstondig inleidend vertier te zorgen is – als ik mij goed geïnformeerd heb – eigenlijk een godswonder op zich, waarvoor de vlag gerust uit mag. Want vertalers – zo bereikten mij de afgelopen tijd berichten van collega-vertalers die dit aan den lijve ondervonden – lijken zelden tot nooit te worden uitgenodigd om op een literaire gelegenheid hun licht te laten schijnen over een boek naar aanleiding waarvan die literaire gelegenheid georganiseerd is, dat wil zeggen het boek waarover zij zo vele zweetdruppels uitgegutst hebben om het in alle ootmoed aan de voeten van het Nederlandstalig leespubliek neder te vlijen. Neen! Laten wij dat niet doen! is het gedacht van de organiserende instanties, vertelden mi...
Het n-woord valt als de waanzinnige geleerde De Selby zich in een onderwatergrot in de buurt van Dublin onderhoudt met een nedergedaalde Augustinus. Augustinus, bisschop van Hippo (gelegen in het tegenwoordige Algerije), overleed op 28 augustus 430, een hele tijd geleden dus, maar dankzij De Selby’s uitvinding van een zuurstof onttrekkende substantie kan hij naar believen personen uit het hiernamaals oproepen, die zich op zijn verzoek corpificeren. (De tijd is namelijk geen continuüm, heeft De Selby ontdekt, maar een plenum: de tijd is overal altijd.) De Selby en Augustinus bespreken in enige lengte en diepgang de Confessiones van de latere Kerkvader en vooral de losbandige episodes daarin, tot de zuurstof in de flessen van De Selby en aardse consorten begint op te raken en ze terug moeten. Vlak voor het zover is zegt De Selby dan: – There is one more question on a matter that has always baffled me and on which nothing written ...
Bim bam beieren, de koster lust geen eieren. Wat lust de koster dan? Spek in de pan! Daar wordt de koster dik van! Wie kent het versje nog? Is het een hop-paardje-hop? Is het een kietelversje? Ik kan het me niet meer herinneren. Noch ben ik zeker over de laatste regel. Het woord dik zou iets tweelettergrepigs trocheïsch moeten zijn, in mijn herinnerende herbeleving en naar mijn gevoel. Ik kan het natuurlijk altijd even opzoeken. Het onverbeterlijke internet leert mij, op kinderliedjes.info, dat de laatste regel enigszins vloeibaar is, misschien omdat er meer mensen mee geworsteld hebben als ze het wilden opzeggen. ‘Daar wordt de koster dik van!’ is inderdaad een bestaande variant. Maar de oorspronkelijke versie lijkt te zijn ‘Dat er de koster niet krijgen kan’. Vooral door dat woordje ‘er’ komt het heel oud en authentiek over. Een andere variant luidt: ‘O, wat smult de koster dan’, maar dat lijkt me een contaminatie, gemaakt op basis van de an...
Helemaal onmogelijk is het om nieuwe aftelversjes te verzinnen. Als buitenstaander meen ik. Aftelversjes bij spelletjes in de openbare ruimte (‘buiten’, als iemand nog weet waar dat ligt) zijn exclusief eigendom van de spelers, die ze van elkaar overnemen, meestal door ze af te kijken van de net een jaartje ouderen. Inmenging van grote mensen strikt ongewenst. Cringe zelfs. Ze worden gebruikt om te bepalen wie er welke rol speelt, wie er bij welke partij is – en ‘af’ betekent dan dat jij de minst gewilde rol speelt of bij de minst gewilde partij komt te zitten. Je kan er ook mee foetelen, door het rijmpje langer te maken als je zelf af dreigt te zijn, maar dan moet je goed tellen en anticiperen. Het is eerder een ritueel spelletje op zich dan alleen maar de aanzet tot een spelletje, en dat maakt het zo leuk. Er bestaan vele variaties als gevolg van de wankele mondelinge overlevering. Ook worden door de kinderen zelf wel eens nie...
Vaarwel, mensenkinderen, je hoeft niets te doen Want de godganse mensheid gaat op de harpoen En wie nu nog een baan heeft kan zo met pensioen Dus vaarwel en Vive la Sociale En sluit je maar aan bij het werklozenlegioen Want de robot, die komt je halen Dag schrijvers en dichters, die leven van het woord Er is niemand die jullie stem nu nog hoort En de vrije beroepen, ze gaan overboord Je hoeft nooit meer iets te vertalen Nu ChatGPT aan de horizon gloort Zal de robot je komen halen Wat jullie doen, mensen, kan ik net zo goed Met leugens, geraaskal en kletskoek gevoed Ik hallucineer je een haas uit mijn hoed Met bewijs tot op drie decimalen En altijd beminnelijk en blij van gemoed Want de robot, die komt je halen Dag leraren, lesgevers, inpakken dan Je leerde altijd wat je opzoeken kan Dus ga lekker zitten en geniet er maar van Je hebt eindelijk lege lokalen Dus jubel en juich voor het onderwijsplan Van de robot, die je komt halen Dus lieve mensen, zing vrolij...
De dichter Iemand wil dichter worden Of liever – hij is ’t al Hij rijmt en verst en dicht wat af Stuurt ’t op naar een periodiek Wat gebeurt er? Natuurlijk. Ze drukken er een paar van af. Apetrots natuurlijk, die dichter _____ Deze Komrij- veruglysering verscheen net als de Dante uit de vorige blog in Platforum 64, Ugly poëzie van 30 oktober 1991. Er zijn er die zeggen dat de oorspronkelijke gedichten er danig van opknappen, van deze ugly make-over , en ze hebben gelijk, die die dat zeggen. Volgens de ugly leerstellingen kan van alles ugly poëzie gemaakt worden, ook van niet-ugly poëzie. Ugly herdichten is niet alleen een voldragen, volwaardige, volwassen dichtmethode, maar tevens een altijd onverwachte en tot bijzondere resultaten aanleiding gevende vertaalmethode. Eens wat anders. Het overwegen waard. Alles kan vertaald worden, zelfs Nederlands, wat al regelmatig gebeurt en dan hertaling wordt genoemd. Maar waarom alleen oude werken...
In de Serrarisstraat in Heeze, pal in het centrum van westelijk zuid-oost Noord-Brabant, had je een plantsoentje dat wij Het Pleintje noemden, en waar we voetbalden. Tot ongenoegen van sommige omwonenden die hun voortuin niet graag bezocht zagen door voetballen en vervolgens voetbalzoekende voetballertjes. In het midden van dat plantsoentje lagen De Bosjes, een dichte kring geurige en prikkelige struikjes waar de bal ook wel eens op mysterieuze wijze in verdween om noit meer te worden teruggevonden, bv. mijn eerste leren zwartwit geblokte. Die struiken waren aangelegd rond een groot groengeverfd antislip-stalen luik, dat altijd afgesloten was, maar dat toegang gaf, werd gezegd, tot de riolering. Heel geheimzinnig. Ik had ook altijd het idee dat ik stemmen hoorde, in de struiken en onder het luik. Toen ik voor het eerst Under Milk Wood las, of liever gezegd de ondertitel A Play for Voice s, moest ik meteen aan Het Pleintje denken en aan de stemmen ...
Amerikaanse schrijvers hebben altijd een moeizame relatie met humor gehad. Ze zijn te serieus, en lijden vaak aan het ‘I wanna be a writer’-syndroom. Schrijver zijn vinden ze belangrijker dan schrijven zelf. Vaak hebben ze lessen in creative writing gehad, wat je makkelijker aanleert dan weer ontleert en hoe dan ook door alles heenschijnt. ‘En wat doet u?’ vroeg James Frazer, de auteur van The Golden Bough aan Joyce toen ze in de Bibliothèque Nationale aan elkaar waren voorgesteld, ergens midden jaren twintig, en Ulysses al door menige koffietafel was gezakt. ‘Ik schrijf,’ antwoordde Joyce simpelweg. Ook Judith Herzberg zegt liever dat ze dicht dan dat ze een dichter is, ‘want je weet maar nooit, of het de volgende keer weer lukt.’ Dit in tegenstelling tot het gros der zich schrijvers noemenden, die slechts schrijven om zich schrijver te kunnen noemen. En vandaar: elke vorm van humor ontberen. De eerste en laatste die het kwam aanwaaien is Mark Twain. Die vertaalde...
Ik heb een taalverandering bij mezelf waargenomen. Een taalnuance die ik vroeger snapte maar nu niet meer. Toen ik midden jaren zestig van de vorige eeuw op de kleuterschool aan de Julianalaan (hoek Nicasiusstraat-Marijkelaan-Molenstraat) het lied over Joepie Joepie leerde – heel de wereld zong All you need is love , heel Nederland zong Waarom heb je mij laten staan? en heel de Heezerse klas zong Schipper mag ik overvaren (en Joepie Joepie dus) – wist ik intuïtief precies waarover het ging: iemand genaamd Joepie Joepie kwam naar ons toe en heeft bij ons een meisje gekaapt en is er toen met dat meisje vandoor gegaan. De tekst, althans het begin ervan, althans van hoe ik het leerde, althans van hoe het me is bijgebleven, althans hoe ik het me nu herinner, luidt: Joepie Joepie is gekomen, heeft een meisje meegenomen — Maar toen ik vanmorgen vroeg in bed het lied nog eens met kille, analytische blik overdacht, waarom weet ik niet, misschien was i...
Reacties
Een reactie posten