Elke zoveel tijd een vertaalvraagstuk uit de praktijk, door Robbert-Jan Henkes [rjhenkes apestaartje xs4all punt nl].
Volgen? Ontvolgen? Op de hoogte gehouden worden of juist niet? Schrijf me een mailtje!
533 Teruggevonden
– Ik wist het wel! Daar zitten ze!
– Het blijven lastpakken, ouders.
_____
Uit het Женскии журнал (Vrouwenblad), № 9, 1930, in het togdazine, hier. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.
Dan verveel je je en weet je niet wat je moet doen en ideeën heb je verder ook niet en dan loop je wat heen en weer tussen de kast en de muur en tussen de kluiten en het riet, ijsberend met je lege hoofd onder je arm, en pak je lukraak een boek, en dat boek sla je lukraak open en dan staat er: Drei Hasen tanzen im Mondschein im Wiesenwinkel am See: Der eine ist ein Löwe, der andre eine Möwe, der dritte ist ein Reh. Dat is leuk, denk je. Dat is heel leuk, denk je. Dat is heel erg leuk zelfs, denk je. En: onvertaalbaar in zoverre als iets ooit onvertaalbaar kan zijn (nooit). Maar: veel werk! En het gedicht loopt nog door, Drei Hasen blijkt het te heten met als ondertitel tussen haakjes Eine groteske Ballade, en de tweede strofe van negen regels en de derde van vijf zijn lang niet zo leuk, tenminste, ze zijn wel leuk, maar gaan erop door, hoe dat kan dat de ene haas een leeuw is, de andere een meeuw en de derde een ree, en het antwoord daarop is...
Als het niks hoeft te betekenen, waarom dan je best doen om het wat te laten betekenen? O rijkdom van het zeggingsloze! Laat de klanken maar klinken en de klinken maar klanken! Laat het zingen maar zangen en het zangen maar zingen. Neurie maar raak, en laat de voortbrengselen uit der mensen keel maar coaguleren tot onthoudbare woorden of op woorden lijkende geluidsentiteiten. Muziek en melodie: onze taal van voor de Val in de Taal die Betekenis Draagt. Van voordat de woorden zich loszongen van hun klank en op zichzelf gingen wijzen: ik ik ik! ik ik ik! Toen ze niet meer zeiden wat ze zeiden maar zich opbliezen en moesten wijzen op zichzelf en andere dingen. Toen ons de veelarmige octopus van aanklevende bedoelingen en bijbedoelingen en leugens en bedrog beetgreep. O miserie! O erg! Wat kunnen we eraan doen? Wat konden we eraan deden? Wij krabben ons achter de oren en wij krabben ons op ons hoofd. En dan, en dan: Ja! Dat konden we eraan zouden deden! Allemaal in een k...
Maar het liefste schrijf ik kinderliedjes, of in elk geval dingen om. te kunnen zingen op willekeurig welke melodie, op één voorwaarde en dat is dat ze gans ongaar onnozel zijn. Waarom houd ik toch zo van onnozelheid? Van domheid en snotneuzen? Van onschuld en naïviteit? Waarschijnlijk omdat dat het is wat mensen het eerst en onherstelbaarst en jammerlijkst kwijtraken als ze groot worden: onnozelheid is kinderlijkheid en kinderlijkheid is goddelijkheid. Dit liedje lijkt op andere liedjes die ik geschreven heb, bijvoorbeeld het liedje over een liedje willen zingen maar niet weten waar het over moet gaan, hier . Maar wat het verhaal betreft, het mini-epos dat erin verpakt zit, een Homerus waardig, dat heb ik – of heb ik niet, ik weet het niet meer, misschien heb ik het wel geheel en onafhankelijk en van mezelf bedacht, zulke dingen gebeuren en kunnen de besten overkomen – mogelijk van een gedichtje van Charms, dit , uit Hé, waar zijn mijn kindjes , de...
Yorick noemt Frits Fruts en Frits noemt Yorick Horrik. Dat vinden ze leuk. Het zijn elkaars beste vrienden. Maar zoals dat gaat onder beste vrienden, er zijn wel eens onenigheidjes die tot schermutselingen en zelfs handgemeen leiden. Zoals laatst. Toen had Yorick Frits zijn voetbal en die wou hij niet teruggeven. Terwijl het Frits zijn bal was. Frits had de dag ervoor weliswaar Yorick zijn bal expres zo hard gepunt dat hij lekgeraakt was en onherstelbaar naar de vaantjes, maar dat kwam omdat Yorick de dag daarvoor Frits expres in de sloot geduwd had, tenminste, Yorick zei dat het per ongeluk was, maar Frits wist heel goed dat het expres was. Zulke dingen voel je gewoon. Dus. Dat is voorzover ze het zich kunnen herinneren. Dus toen zegt Frits: – Als je nu mijn bal niet teruggeeft, Horrik, nu onmiddellijk meteen, denk ik niet dat je direct nog leeft, met of zonder arm of been. En Yorick zegt dan: ...
Soms, vaak, beginnen mijn kindergedichten te lang en blijven ze heel lang te lang voordat ik het licht zie en ze drastisch of minder drastisch inkort. Soms, vaak, heb ik al heel lang een idee om ergens iets mee te doen en dat komt er niet van omdat ik niet weet hoe je moet beginnen. Dan helpt het soms, niet vaak, niet altijd, om toch gewoon te beginnen en te zien waar je uitkomt. Eerst maar eens wat opzetjes, aanzetjes, beginnetjes maken tot er op een gegeven moment een regel uitspringt die wat beeld maar vooral ritme en rijm betreft aanknopingspunten en perspectieven biedt op iets leuks en aardigs. En dan kan ik soms, vaak, de aanzetjes plunderen in het verdere verloop. Ik wou al heel lang een sullig liedje schrijven dat over het willen zingen van een sullig liedje gaat maar dat niet van de grond komt. Ik hoorde zoiets ooit zingen ik meen door Kris Van Trier van de Antwerpse toneelgroep Comp. Marius in een stuk...
Hoera! Het boek is uit. In vele talloze duizendtallen te bestellen bij de betere boekhandel of bij ontstentenis daaraan bij de uitgever zelf die ronkende prompte pede met de bolide uit Deutekom aan komt zoeven om het boek persoonlijk, met een lintje eromheen, te komen afleveren. Wie geluk heeft krijgt er nog een bonbon bij ook. Een nieuw boek van Charms, met veertig kindergedichten waarvan er dertien zeker van hem zijn en de hele veertigtallige bubs (en zes meer) vertaald alsof ze allemaal echt van hem zijn, met uitgebreide vertaaloverwegingen, bestudering van anderstalige versies en eigen probeersels, passen en meten en timmeren en schroeven, doodlopende paadjes en weidse vergezichten. Allemachtig prachtig uitgegeven, als wapper- en flapperboek, kleurig als een boeketje ballonnen en blijmakend zoals alleen een mooi en goed boek dat kan. Maar, zoals dat gaat, het pakketje mij toekomende toegekomen auteursexemplaren was nog niet u...
Natuurlijk zijn er trucjes om een vertaalde tekst Nederlandser te doen klinken. Martin de Haan onthulde er misschien onbedoeld een, toen hij vertalers onderverdeelde in twee categorieën: zij die op zoek waren naar ‘hoe je het in het Nederlands zegt’ en zij die vinden dat het vreemde en afwijkende vooral vreemd en afwijkend moet blijven. Dit in reactie op mensen die zeiden dat zijn vertalingen zo soepel liepen en vlot klonken. Wat Martin vreemd vond, want hij deed volstrekt zijn best niet om de meest gangbare uitdrukkingen te vinden. Hij deed juist zijn best om te vertalen wat de auteur had geschreven. Woorden om met de driedubbele paalsteek in de oren te knopen. Want waar kom je op uit als je probeert te vertalen ‘zoals je het in het Nederlands zegt’? Op hoogstwaarschijnlijk dezelfde clichés en afgezaagde manieren van zeggen die de oorspronkelijke auteur juist ontzettend wil vermijden. Zelfs een oorspronkelijk Nederlandstalige aute...
Men schrijft. En men kan er verder niet veel over vertellen. Men kan er echter wel met evenzovele woorden over zwijgen. Wijdlopig zwijgen. Woordenrijk zwijgen. Trek een rookgordijn van woorden op. Vlucht achter de kachel. Noem het gedicht. Niet de kachel, maar het rookgordijn. Wit het gedicht. Wat is, is niet in de woorden. De rook is het vuur. Niet wat erachter ligt. Niet wat erin ligt. Niet ik. Niet gij. Maar men. Men schrijft. Men schrijft. Pensgewijs. Seismisch. Met dien verstande. Met dien verstande Tussen tien voor twintig over één en vijf voor kwart voor half twee – elke dag opnieuw weer niet – gaan de mensen in dit stadje met z’n twee alleen met geen van beide anderen mee – maar niemand die het ziet. Men heeft het altijd wel gewist: het wordt steeds vroeger buiten – elke dag opnieuw weer...
Wat krijg je als je Kippetje Tok mengt met Ki-Ka-Kuiken en fijnsnijdt en stampt in een vijzel en je gooit ze in de pan (als je koken kan) en je bakt ze aan en je gooit er rijmbouillon bij en je brengt ze aan de kook en je laat ze sudderen en suddderen en sudddderen – jaren als het moet – om er tenslotte een ingedikt, rijk en overheerlijk stapelgedicht van te maken? Misschien wel dit Gouden Boekje in de dop. Hoewel, het einde is wat navrant: ze gaan allemaal dood. En dat is natuurlijk verboden in kindergedichten. Het moet altijd goed aflopen, hoe onwaarschijnlijk en met de haren bijgesleept het ook mag zijn. Wacht, daar ga ik wat op verzinnen. Maar eerst het gedicht zoals het er nu ligt, met unhappy end – waar ik zometeen een happy end aan ga breien. Eendje vond een boterham Daar holt eendje kwaak-kwaak-kwaak, eendje met een boterham. Mjam-mjam, een boterham! en daar holt kippetje tok-tok-tok achter eendje kwaak-kwaak-kwaak, eendje met e...
Wanneer doe je het goed als vertaler? Als je prijzen wint? Maar dat zijn feestjes voor degenen die ze uitdelen en heeft met enigerlei verdiensten ja dan nee evenveel te maken als de landelijke konijnenstand met de NS-dienstregeling. Het enige of in elk geval doorslaggevende argument is toch vaak ‘wie zullen we het nu weer eens gunnen?’ (op de wijs van RonFlonFlons ‘wie zullen we nu weer eens bellen?’) Als de vertaling goed verkoopt? Integendeel. Ik heb gemerkt (maar mondje dicht hierover tegen uitgevers) dat hoe slechter de vertaling is, hoe beter hij verkoopt. En dat is geen correlatief maar wel degelijk een causatief verband. Het komt omdat potentiële bestsellers altijd als de wiedeweerga op de markt gegooid moeten worden, en dat in de arm genomen vertalers maar één ding hoeven te doen en dat is snel zijn. Tempo tempo! De knoet erover, de karwats, de kat met negen staarten! Hoe je het doet maakt niet uit, zelfs wat je doet maakt...
Reacties
Een reactie posten