576 Hoe ik stuitte op een brusseleirse Pruimen-Jantje

   Twee jaar geleden ontdekte ik, rijkelijk laat, de Franse striptekenaar Lewis Trondheim. Aanvankelijk als oprichter en een van de drijvende krachten achter de stripuitgeverij l’Association. En wel als bedenker en maker van OuBaPoliaanse strips, afkomstig uit het Ouvroir de Bande Dessineé Potentielle, de strip-afsplitsing van de Werkplaats van Potentiële Literatuur van Raymond Queneau en consorten. Strips met beperkingen! François Ayrolles ‘reduceerde ’bijvoorbeeld Prousts Recherche tot één strippagina met zes plaatjes. En Gilles Ciment deed hetzelfde met Kuifje en de Sigaren van de Farao. Maar ook mogelijk zijn Expansie, Herkadrering, Iteratie etc. Er zijn inmiddels zes OuBaPo-bloemlezingen uitgekomen en talloze losse albums, alles met een weelde aan contraintes.

   Trondheim maakte eerst voornamelijk minimalistische strips, soms een boek met één enkele tekening, eindeloos herhaald, maar onderverdeeld in strookjes met gags (Le dormeur bijvoorbeeld) of een achttal steeds herhaalde tekeningen, in een lopend verhaal gearrangeerd (moins d’un quart de seconde pour vivre). Maar toen ik Lapinot ontdekte (Kobijn in het Nederlands), wilde ik alles van Trondheim lezen. Wat in de papieren gaat lopen, want hij heeft inmiddels al minstens tweehonderdvijftig strips gemaakt, als tekenaar en scenarist of alleen als scenarist, en in één enkel geval alleen als tekenaar. De teller staat (tussenstand) tweeëntachtig.[1]

   Ook schafte ik me de gesprekken aan die Thierry Groensteen, mede-oprichter van de OuBaPo, met hem had, Entretiens avec Lewis Trondheim. Thierry Groensteen komt uit Ukkel, en in het voorwoord bedankt Trondheim Groensteen voor het leesbaar maken van zijn gehakkel, zodat hij toch nog wat intelligents lijkt te zeggen, al legde Groensteen hem wel enige belgicismes in de mond, die Trondheim heeft moeten herstellen voor het boek naar de drukker ging. (Belgisch-Frans verschilt evenveel van Frans-Frans als Belgisch-Nederlands van Nederlands-Nederlands, heb ik de indruk.)

   In de Entretiens heeft Trondheim het ook over de strips die hem vormden, die hem een schok van herkenning gaven en het idee dat je ook op die manier verhalen kon vertellen. Bijvoorbeeld Philbert Desanex’ 100,000th Dream van Gilbert Shelton (bekend van The Fabulous Furry Freak Brothers), en Le petit cirque van Fred (bekend van Philémon). Die ik ook kocht – op zoek zijnde naar het geheim van het recept van de kunst van het verhalen vertellen van Trondheim – mitsgaders Le jeune Albert van Yves Chaland, die ik niet zo goed kende maar zich visueel specialiseerde in jaren vijftig retro-strips.
   Chaland kwam uit Lyon, maar Le jeune Albert speelt zich in de Brusselse Marollen af, met gebruik van woorden die niet zouden misstaan in hedendaagse Nederlandstalige werken en die ik dan ook vlijtig opteken om eventueel over te nemen, waar en wanneer de mogelijkheid zich voordoet. Ik denk aan snul, smeirlap, en afschrabsel van mettekouwskuut – zoals de jonge Albert het op zijn Frans uitspreekt. (Mettekouwskuut betekent denk ik apeschijt.)[2] Het brusseleir is ook goed in meertaligheid, getuige de dialoog:

‘C’est vous le père du smeirlap fasciste qui a troué la tête à mon fils?’ ‘Gotferdoume!’
   Op school echter, blijkt uit een andere episode, werden belgicismes er met de rotting uitgeslagen door de onderwijzer, hetgeen de jonge Albert overkomt:

‘Un coup par faute d’orthographe, deux par belgicisme. Tournez-vous, Albert.’
   Op goede dag fietst de jonge Albert – tijdens vakantie in de Ardennen kennelijk – met een vriendje naar zijn oom Rémi, un type épatant: ‘Autrefois il me racontais les aventures de Pitje Schramouille. Je ne comprenais pas tout mais ça avait le don de me faire rire aux larmes.’[3]
   Pitje Schramouille? Nooit van gehoord. Tinternet leert mij dat Les fables de Pitje Schramouille een boek uit 1923 is, geschreven door de fraai genaamde Roger Kervyn de Marcke ten Driessche in een mélange de flamand et de français. Ik krijg ook een paar bladzijden cadeau om te kijken wat het is. Een van de fables heet Les Prumes en het duurt niet lang of het blijkt dat deze fabel sterk leunt op onze opvoedkundige Pruimenboom van Hiëronymus van Alphen. Jantje zag eens pruimen hangen, O als eieren zo groot etc. Alleen hier is het Tichke, die zich net als Jantje afvraagt of hij een pruimendief zal worden:

Je poudrais foutt’ in’ prum’ par terre,
En schuddant l’arb’ in peu, comm’ ça !

   Een Nederlands werkwoord op zijn Frans vervoegd, dat zie je niet vaak. Het lijkt een vrij getrouwe navertelling, deze fabel, tot je bij de slotalinea komt, en de aap uit de mouw komt, of liever gezegd de schijterij uit de pofbroek:

Poupa sécoue l’arbre bien vite,
Et tant du fruit a triboulé,
Que Tichk’ a iu huit jours la chite.
V’là ioù conduit l’honnêteté ! ! !

   Zoveel pruimen vallen er als papa de boom schudt, dat Tichke acht dagen lang aan de dunne was. Het is heel goed mogelijk dat dit ook een van de fabels is geweest waarmee oom Rémi de jonge Albert aan het huilen van het lachen heeft gemaakt. Pitje Schramouille, ik ga me er eens verder in verdiepen.[4]

Les Prumes

Tichke dans l’jardin de s’ monpère
Promenait sur in beau matin.
On l’avait dit : “Te peuïe ça faire,
Mo te peuïe pas toucheïe à rien.”

Et Tichke se tenait bien couche,
Y marchait des p’tits pas, sans bruit.
Mo v’là l’eau qui vient dans sa bouche :
Y voi’ in prumier plein du fruit !

“Je poudrais foutt’ in’ prum’ par terre,
En schuddant l’arb’ in peu, comm’ ça !
Mo si Poupa me voit ça faire,
Y va m’taper mon pette en bas !

» Allô, qu’y dit, ça s’rait ’n malchance,
Si Poupa irait m’ spionner.
Je vas joueïe un peu balance
Avec l’arb’, in’ prum’ va tomber ! ! !

» Mo non, au fond, ça peuïe pas yett’
– Dit Tichke n’a lui-mêm’ tout bas –
Avant tout, y faut’ yett’ honnêt’ :
L’honnêteté, ça c’est la loi !”

Mo Poupa, qui tenait l’ silence,
Y voyait Tichke ses façons,
V’là sir in deuïe trwa qu’y s’élance
De derrièr’ in épais buisson :

“Tichke, em’n’ enfant, je t’aime,
– Qui dit comm’ça su s’ ton câlin –
Je vas schudder l’arbre moi-même,
Et t’oûras des prum’ pleins tes mains !”

Poupa sécoue l’arbre bien vite,
Et tant du fruit a triboulé,
Que Tichk’ a iu huit jours la chite.
V’là ioù conduit l’honnêteté ! ! !

_____

[1] Favorieten tot nu toe, naast Lapinot en al het Association-werk: Infinity 8, een sf-serie met acht verschillende tekenaars, het woordeloze navrante ‘buitenaardse’ kinderboek A.L.I.E.E.N., de ook al woordeloze hopeloze avonturen van stokpoppetjes Mister O. en Mister I., de in drie repen vervlochten verhalen van Les trois Chemins, papa vertelt sprookjes hoewel hij dat niet kan in Papa raconte, het leven van een vlieg (ook woordeloos, terwijl de teksten van Trondheim altijd buitengewoon scherp en geestig zijn) in La Mouche, de driedelige detective Maggy Garrison, Approximativement, het boek waardoor Moebius zijn idee voor Inside Moebius kreeg (vertaald als Net echt),[5] Je vais rester, een soort strip-Sous le sable – en nu stop ik, want ik merk dat ik niet meer doe dan de honderdtien centimeter Trondheim-strips in de kast opsommen.

[2] In de commentaren op neerlandistiek, waar dit stukje eerder verscheen, werd ik erop gewezen dat mettekouwskuut hoogstwaarschijnlijk een verschrijving van Chaland is geweest voor mettekouwsekluut[e], dat wil zeggen apenkloot [of -oten],[4] en dat zich in Brussel op de Anspachlaan, een paar panden links van stripwinkel Brüsel, café El Metteko bevindt. Kijk, dat is nuttige info waar je nog eens wat aan hebt! Maar waar haalde Chaland zijn brusseleir vandaan? Daarop vond ik antwoord in een toevallig enige dagen na de publicatie van dit stukje aangeschafte Stripschrift bij De Slegte in Amsterdam, te weten nummer 192 van februari 1985 met daarin een interview met Yves Chaland, die vertelt dat zijn informanten de gebroeders Didier en Daniel Pasamonik waren: vóór hij aan zijn (Brusselse) strip Bob Fish begon, was hij er nog nooit geweest. De Pasamoniks stuurden hem van alles en nog wat toe: ‘Chaland waande zich in een Robbedoes-album toen hij voor het eerst in Brussel kwam.’

[3] Wat ik niet besefte toen ik het voor het eerst las, is dat met ‘Oncle Rémi’ de verstokte Brusselaar Georges Remi bedoeld werd, oftewel Hergé, de vader aller Franco-Belgische stripmakers, die op 3 maart 1983 overleden was, en voor wie Chaland deze ontroerende hommage bij wijze van in memoriam maakte.

[4] Boekje inmiddels aangeschaft, evenals het vast onmisbaar wordende Comment engueler son prochain en bruxellois (de nouvelle édition revue et augmentée, wat dacht je dan!), en gotferdoume, daar staat achterin het Lexique Bruxellois-Français onder de a, tussen afgelekte boestring (hareng saur léché) en ajoen (oignon = flic), het door de jeune Albert gebezigde afschrabsel van mettekooskluute, vertaald als raclure de testicules de singe. Weer een raadsel minder. In de commentaren bij dit stukje op neerlandistiek werd ik ook gewezen op een cafétair voorgelezen Pitje, te beluisteren op YouTube, hier.
[5] Uit een andere toevallig vlak erna aangeschafte Stripschrift, nummer 181 van maart 1984, blijkt het toch ingewikkelder in elkaar te zitten, want Moebius liet toen al een aantal van zijn disparate hoofdpersonen samenkomen in een woestijnachtige omgeving, zoals blijkt uit een prent in (waarschijnlijk) La mémoire du futur uit die tijd, terwijl de eerste Inside Moebius pas in 2004 verscheen:
_____

Dit stukje verscheen eerder, iets anders en zonder eindnoten 2 t/m 5, op neerlandistiek, 4 maart 2026, hier. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

575 Gulliver met driehonderd: raaskallen

574 Gulliver met driehonderd: zwaartekracht

572 Gulliver met driehonderd: ’t aepjen

353 Ireland’s Eighth Mathematical Wonder: Recounting the 111 Terms of Abuse

499 Infinite Jest

345 Register & Inhoud VandaagsVertaalProbleem (cumulatief)

571 Gulliver met driehonderd: schuilevinkjes

342 De hond en zijn mens

14 Couleur locale

111 Dialect