105 Amanda Ros – Irene Iddesleigh III

   De reden dat ik het hier zomaar voor de wolven der klapkakende kritiek gooi, is dat de uitgevers er geen brood van lustten noch lusten. Misschien is dat terecht. Toen ik het bij de Harmonie aanbood als ‘het slechtste boek aller tijden’ zei Jaco Groot: ‘Je kan er beter zelf een schrijven.’ En daar had hij groot gelijk in.
   Het probleem is alleen: bewust het slechtste boek aller tijden willen schrijven is zeer moeilijk, zo niet onmogelijk. De charme is het onbedoelde. Het perongelukke. Het onbewuste. En zo gauw je gaat bedoelen en verexpressiseren sluipt er ironie en zelfbewustzijn in, en zo gauw er ironie en zelfbewustzijn in sluipt, is de toverkracht verloren. Je moet er werkelijk in geloven – geloven dat het straalt en praalt en Nobelprijswaardig is.
   Ik kan me dat in vertaling wel wijsmaken – want hoe gek het ook klinkt, naarmate de vertaling vordert, wordt het geschrevene werkelijk steeds fraaier van franje en worden de woorden werkelijk wonderen van welbewuste en te waarderen keuze.
   Amanda Ros is onnavolgbaar onvergelijkelijk. Hetgeen wederom mag blijken uit het volgende hoofdstuk, zeggende en schrijvende III.
Hoofdstuk III.

   Wek het schijnbaar doodse schepsel tot het niveau van vreugde en vrolijkheid dat zijn edele pad zou moeten bijlichten! Begiftig hem met de dauwdruppels van dierbaarheid; werp van hem de vlijmen van het grauwe verleden, en stamp ze voor immer onder de golven der troebele baren; monter zijn leven op zoals men dat bij een verbleekte bloem zou doen; en als de heetste straal van dat hemelse lichaam zijn lustige lading afschiet op de ruiten van Dunfern Mansion, zal de waardige eigenaar haar met ware en diepe dankbaarheid in ontvangst nemen. Nauwelijks waren er drie weken voorbijgegaan eer Sir John de ontvanger werd van opnieuw een uitnodiging aan Dilworth Castle. Deze tweede uitstorting van hartelijkheid vereiste noch bezorgde gedachten noch een lang besluit hoe te handelen, want hij wist dat het opnieuw zou dienen om zijn huidige gedachten in praktijk te brengen door hem een tweede gelegenheid te bieden om te delen in de liefhebbende aanblik van iemand voor wie hij vreesde dat er een sterke neiging bestond van zijn kant om zijn genegenheid verder naar voren te brengen.
   Irene stond uit te kijken over het meer aan gene zijde van het rijk gedrapeerde raam, mijmerend over de dagen van haar jeugd, wat een doffe aanblik verleende aan het wonderschone gelaat stralend van verrukking toen Sir John Dunfern binnentrad. De avond werd zeer plezierig en rustig doorgebracht, waarbij Irene het grootste deel van zijn tijd en aandacht in beslag nam, als gevolg van een lichte ongesteldheid van Lady Dilworth, wier gezondheid, over het algemeen gesproken, in deze tijd niet meer zo robuust was als eerst, waardoor zij niet kon instaan voor al te veel bezoekers. Toen de klok elf sloeg begon Sir John aanstalten te maken naar huis te gaan, met een blij gevoel en met de gedachte dat zijn grote genegenheid ten volle door Irene werd beantwoord.
   Van huis uit zeer gedomesticeerd als hij was, en met de stramme ideeën van een verstokte vrijgezel krachtig in zijn karakter ingeprent, voelde hij zich zeer beschroomd het doel van zijn bezoek te vragen wanneer ze elkaar de volgende keer zouden zien. Lady Dilworth echter, die binnenkwam voor hij afscheid had genomen, behoedde hem voor het stellen van de verlegen vraag door zichzelf in zijn positie te plaatsen en het vereiste antwoord te verlangen. Sir John beloofde hen zonder verder omhaal voortaan vaker met een bezoek te vereren, en verliet hun midden met haastige tred, na enig talmen in de hal om een laatste blik te werpen op de lieflijke vorm die zich niet ver van hem ophield. Kalm in zijn koets achteroverleunend, weggedoken in zijn dure en machtige mantel, door het ijzige aspect van de nacht genoodzaakt, rolde hij voort in de richting van zijn huis, verzonken in zoete gedachten aan het wonderschone meisje dat hij pas sinds kort had leren kennen, maar welks waardering voor haar met zo’n woekerend verlangen voortwoedde dat hij overtuigd raakte van het juiste pad haar te doen beseffen hoe hij de rol van minnaar op zich wenste te nemen.
   Tot nu toe was hij geneigd tot vooroordelen jegens de strikken en verlokkingen van vrouwen, maar hij nam zich strikt voor geleidelijk aan te trachten en iedere onvriendelijke gedachte te bannen die ten aanzien van hen in zijn geest had postgevat, vrezend dat al zijn ingebeelde begoochelingen zowel onterecht als egoïstisch waren; en vastbesloten om ze voorgoed te verdrinken in de razende maalstroom des verderfs, voelde hij zich een trotser en gelukkiger sterveling dan voordien.
   Maar de tijd zou het probleem oplossen en de wonde helen die zo diep zijn boezem doordrong. Ja, een korte spanne tijds hoopte hij zou zijn voortschrijdende koorts van vertedering in het dwingende keurslijf van aangestelde autoriteit brengen en de verzwakkende gevolgen betten met de zaligmakende zalf der waarheid.
   Pas toen de paarden met groeiende geestdrift de slingerende laan op stormden werd hij wakker geschud uit zijn sluimerende houding om eens te meer zijn huis van onbegrensde rijkdom te worden binnengeleid. Een eenzaam staren van stille verbijstering verving van de blijdschap die voordien in overvloed voor hem binnensmuurs leek te zijn ingebouwd toen hij het paleiselijk en grandioos geouitilleerde verblijf betrad dat hij hoofdzakelijk bewoonde, en hem beving het gevoel door de vleug van het grauwe verleden met totale wanhoop te worden geslagen, onderwijl peinzend over de gelukkige toekomst die zich voor hem tentoonspreidde. Hoe in een relatieve mum van tijd deze plek van eenzaamheid, dacht hij, het baken van zou blijken van blijvende zegen en zaligheid, als zij eenmaal voorzien zou zijn van de kostbaarste schat op aarde — een deugdzame vrouw! Ah! de gedachte alleen al aan zijn vurig omhelsde en verhoopte verbintenis gaf hem de zenuwen van geluk; en met het idee dat er een stralende en grootse toekomst lag te wachten op de eenzame eigenaar van het landgoed Dunfern, besloot hij aan de roep der natuur gehoor te geven voor een paar uurtjes vredige rust.
   De dagen schoten sneller op vond Sir John dan voorheen; en wellicht kan hij dit zichzelf hebben ingebeeld, omdat hij zich niet langer vastgekluisterd voelde met vrees om te vechten met zijn inwendige vriend — halsstarrigheid, wier hand van ingedommeld vrijgezellenschap voor altijd gesloten leek voor zijn veranderende vergevingsgezindheid; ten langen leste had hij het gewaad van vrouwelijke weerzin afgelegd en schraagde dat van een warmbloedige minnaar.
   Irene probeerde Lady Dilworth niet wijs te maken dat zij werkelijk warm liep voor Sir John, en als zijn naam bijwijls ter sprake kwam zeilde zij altijd met zorg om de klippen van conversatie heen die haar standpunten vermoedelijk het meest zouden blootgeven en wist op sluwe wijze aldus de vriend te misleiden die geen dag te vroeg kwam om haar te redden. Wellicht als Lady Dilworth zich minder bekommerd had betoond om de zorg voor een wees die ze had bevrijd van een leven van zwoegen, naar alle aanschijn, en haar meer had onderwezen over de takken van integriteit, dan had de lieflijke jonge Irene eerzamer kunnen beslissen in alle gevallen van ondervraging en had zij recht gedaan, niet alleen aan haarzelf, maar aan alle betrokkenen; maar zoals vele anderen eveneens door minnaars belaagd, slag leverend in de oorlog der uitersten, en aan alle kanten omringd door ogenschijnlijke luxe, leefde in haar de overtuiging dat zij, zolang ze de sluwe Corinthiër bleef spelen, op zekere dag zegevierend zou eindigen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

104 Hervertalingen, moet dat nou?

103 Een ovaalvormige ronde tafel

101 Amanda Ros – Irene Iddesleigh II

106 Vroege Joyce-vertalers