210 Tijger op straat

   Een van de meer intrigerende gedichten van Daniil Charms is Tijger op straat, en dan is vooral de vraag, die de dichter ook stelt: wat doet die tijger op straat? Het gedicht in mijn vertaling, eerst gepubliceerd in de gelijknamige bundel uit 2010 en zes jaar later in Bij mij op de maan, gaat zo:

Ik heb lang moeten denken wat die tijger op straat deed.

   Ik dacht en ik dacht
   Ik dacht en ik dacht
   Ik dacht en ik dacht
   Ik dacht en ik dacht

   Toen waaide de wind met zulke kracht
   Dat ik vergat waarover ik dacht

Nu weet ik nog steeds niet wat die tijger op straat deed.

   En nu weten wij ook nog steeds niet wat die tijger op straat deed. Waar kwam hij vandaan? Als het een circustijger was – stel – dan was het toch niet zo’n vraag wat die tijger op straat deed, want dan zag de opmerkzame beschouwer meteen dat die tijger bij het circus hoorde. Als medelevend wezen had hij zich dan afgevraagd wat die tijger achter tralies deed, in een kooi, en niet in de vrije natuur, op straat. Dan had hij zich afgevraagd: ‘Ik heb lang moet denken wat die tijger niet op straat deed.’ Maar dan heb je een heel ander gedicht.
   Het is zo’n raadselachtig beeld, een – kennelijk loslopende – tijger op straat, dat een tweevoeter zich automatisch gaat afvragen: was er wel een tijger? In dat opzicht heeft het verhaal wel wat weg van de wederopstanding van Jezus de Christus. Die was ook op een gegeven moment verdwenen uit de grot waarin hij was gelegd, waardoor een zinnig mens zich gaat afvragen: was hij dan wel dood?
   En hier gaat de lezer zich afvragen: was er wel een tijger? Of was het misschien een ander dier dat de dichter voor een tijger aanzag? Een grote kat? Of toch een tijger?
   Ja, hoe zie jij dat eigenlijk?
   Het probleem wordt acuut als het gedicht geïllustreerd moet worden, want dan moet de tijger uit de mouw komen – of de kat.
   Ik heb een boekenplankair en internautair onderzoekje gedaan en de meningen blijken verdeeld. Van de zes Russen zien drie tekenaars een kat voor hun geestesoog verschijnen en drie houden het op de felis horribilis zelf. De Nederlandse tekenaar, Erik Bindervoet, lijkt nog het meest door het charmsiaanse oog te kijken en ziet er een kat in die op een tijger lijkt en omgekeerd.
   Maar er is nog een heel andere invalshoek, die de hele kattenfamilie naar het rijk der fabelen verwijst. Maar eerst de tijgers van de zeven post-Charms illustratoren.
   De drie katten zijn van links naar rechts van de hand van Fjodor Lemkoel (1967), O. Gorsoenov (1992) en Karin Barabanova (1993):
   De drie tijgers zijn van links naar rechts van de hand van Jevgeni Monin (1989), S. Ostrov (1993) en Olga Sall’ (2015):
   De getijgerde demon (om Delphine Lecompte aan te halen) is van Erik Bindervoet (2010):
   In 1936 was de allereerste illustrator van het gedicht dezelfde Nikolaj Radlov van de Getekende Verhalen, de Verhalen in Plaatjes, de Fabels in Beeld die we onlangs in veertig blogs hebben vertaald. Tijger op straat stond oorspronkelijk in het tijdschrift Tsjizj (Sijsje) nummer 5 van 1936, dus nog bij leven en welzijn van de dichter, de zich noemende Daniil Charms maar ook wel Karl Ivanovitsj Schusterling (plus nog een hele resem andere namen) – en als we de illustraties die erbij staan (hieronder) goed bekijken, zien we dat de bewuste tijger geen kat is, geen tijger en ook geen leeuw, maar...
   ...een hond!
   Wat een heel ander licht op dezelfde zaak werpt.
   Want hoe komt de illustrator erbij om een hond van die tijger te maken? Hoe haalt hij het in zijn bolle hoofd? Waar haalt hij het vandaan? Ja, hoe komt hij erop? Je moet toch wel heel ver en diep en nodeloos gaan doordenken om bij het gedicht Tijger op straat een hond te gaan tekenen! Het is alsof Wim Bijmoer een olifant tekent als illustratie bij Dikkertje Dap.
   Maar misschien zit de vork anders in de steel. Het lijkt er hier sterk op dat Radlov, de tekenaar, een verhaaltje heeft getekend waarbij Charms daarna de tekst heeft gemaakt. Het getekende verhaal, zonder de tekst, doet sterk denken aan de zevenenveertig prenten die we in onze langlopende serie hebben zien langskomen. Daar was er in alle gevallen (op één na), ook duidelijk eerst de tekening, het vrolijke voorval, en daarna pas de tekst.
   Net als hier het geval lijkt te zijn. Eerst de schilder die verfstrepen trekt op de blaffende hond en daarna de tekst. En dan is Charms’ idee dat hij in het gestreepte dier een tijger ziet helemaal niet zo vreemd. Minder vreemd dan andersom een hond tekenen als het over een tijger gaat in elk geval.
   Het zijn duidelijk heel verschillende dingen met heel verschillende uitkomsten, tekeningen bij teksten maken en teksten bij tekeningen. Als de tekst over een tijger gaat, wordt er een tijger getekend (of een kat), maar als de tekening over een gestreepte hond gaat, komt er ineens een tijger in de tekst te staan. Beteksten, met andere woorden, geeft andere uitkomsten dan betekenen.
   Misschien hebben we in deze betekste tekening bovendien wel het echte eerste idee voor het boek Verhalen in plaatjes dat het jaar erop het licht zou zien.

_____
   Verwijzingen. Voor alle eerstverschijningen van Charms in Tsjizj en Jozj, zie het togdazine, hier. Een standaardwerk over Charms-uitgaven is Begegnungen mit Daniil Charms, uitgeefster Marlene Grau, catalogus bij tentoonstellingen in Hamburg (2017-2018, zie hier) en Kiel (2018) van werken uit de LS collection van het Van Abbemuseum in Eindhoven, uitgegeven door Lemmens en Stommels, LS, Nijmegen 2017, waaruit de oblong-dubbelpagina hieronder is overgenomen. De getijgerde demon komt bij Delphine Lecompte de behandelkamer ingelopen hier.

Reacties

met onder meer de afgelopen maand

160 Vintage Vondel...

212 Citabiliteit

213 Het verhaal van de laatste zeven verhalen

214 Op het erf – Charms’ laatste gedicht

211 Mom Foetsjies Krijsernij

215 Motto

207 Conclusie en het verhaal van de wonderbaarlijke poes