99 Het ga je goed (over Jesenin)

   Een van de beroemdste gedichten in Rusland is ‘Do svidan’ja, droeg moj, do svidan’ja’ van Sergej Jesenin. Niet alleen omdat het zo mooi is, maar ook omdat het zo kort is – en omdat er een dramatisch verhaal aan vastzit.
   Het is namelijk zijn laatste gedicht, zijn afscheidsbriefje aan de wereld, geschreven in het Leningradse hotel Angleterre twee dagen voor hij zichzelf het leven benam. Hij schreef het met bloed (zijn eigen) omdat de inkt in de pot op zijn kamer was opgedroogd. Het papiertje stopte hij een van de dichtende kling-ons die hem de laatste paar jaar van zijn leven als pluisjes omgaven, Wolf Ehrlich in de jaszak, met de boodschap ‘Lees later maar’. Die deed dat braaf en wachtte een hele dag, met het gedicht, speciaal voor hem geschreven brandend in zijn zak, maar toen was het te laat. Jesenin, zelfdestructieve lieveling van dichtminnend Rusland, had zich op 28 december 1925 met het flinterdunne elektriciteitssnoertje van zijn nachtlamp in zijn hotelkamer opgehangen.
   Wie denkt, d’r beur’n rare ding’n, die heeft gelijk. Complotdenkers kunnen hun hart ophalen aan Jesenins laatste dagen.
   Doch geheel en al onverlet blijft het feit dat zijn laatste, achtregelige gedicht een klassikaner is. En veel vertaald. In alle mogelijke talen en vele mogelijke malen.
Freund, leb wohl. Mein Freund, auf Wiedersehen. (Paul Celan)
Lebe wohl, mein Lieber, lass mich gehen, (Karl Dedecius)
Au revoir, mon ami, au revoir (Henri Abril)
Au revoir, mon cher! Au revoir! (Katia Granoff)

   Ook in het onmogelijke Nederlands van ons. Marko Fondse deed het in 1977 zo:

Tot weerziens, vriend, mijn vriend, tot beter tijden.
Mijn innigste, dit hart bewaart je beeld.
Was het beschikt dat wij nu moesten scheiden –
ook een weerzien is ons toebedeeld.

Dit scheiden, vriend, moet woord en handdruk derven.
Kreuk je voorhoofd niet in het verdriet.
In dit leven is ’t niet nieuw te sterven,
maar ook leven, uiteraard, is zo veel nieuwer niet.

   Dat klinkt toch allemaal weliswaar dichterlijk, maar toch niet heel natuurlijk. De woorden moeten zich wringen in rijm en ritme in plaats van andersom, dat het rijm en ritme als vanzelf met de woorden meekomen. Een weerzien ‘is ons toebedeeld’ en ‘derven’ –’t lijkt goddomme wel poehazie.
   Marja Wiebes en Margriet Berg deden het in 1994 zo:

Nou tot ziens, mijn vriend, wij moeten scheiden.
Lieve vriend, je zit me in het bloed.
’t Onafwendbaar afscheid van ons beiden
Houdt een weerzien in, is niet voorgoed.

Nou tot ziens, mijn vriend, ’t is maar voor even,
Treuren, praten heeft geen enkle zin,—
’t Is niet nieuw te sterven in dit leven,
Maar te leven is dat evenmin.

   Mooi, zo’n romantisch gedicht uit 1825, gedeclameerd op de elisische velden waar de ’t en enk’le en nogmaals ’t je om de oren vliegen. Maar tegelijkertijd begint het dan met zo’n zouteloos bathetisch wegwerperig onserieus ‘Nou’ – dat werkt als een scheet om Beethovens Vijfde mee te beginnen.
   Kees Jiskoot deed het in 2013 zo:

Vriend, tot ziens, tot ziens in beter tijden.
Lieve vriend van mij, je staat me na.
Ons belooft het voorbestemde scheiden
Een elkaar ontmoeten weer hierna.

Vriend, tot weerziens, woordloos, en geen hand gegeven,
Treur niet, frons niet ’t voorhoofd van verdriet –
Nieuw is ’t niet, te sterven in dit leven,
Maar iets nieuws is ook te leven niet.

   Is ‘je staat me na’ eigenlijk wel Nederlands? Is ‘een elkaar ontmoeten weer hierna’ eigenlijk wel Nederlands? Frons je je voorhoofd wel? Of toch je wenkbrauwen? Of het liefst geen van beide, omdat het al in het fronsen inbegrepen zit? Een vertaling die meer vragen oproept dan tien gekken kunnen beantwoorden.
   Arie van der Ent deed het in 2019 zo:

Tot ziens, mijn beste vriend, welaan.
Je huist, mijn jongen, in mijn borst.
Het komend, onafwendbaar gaan
belooft het weerzien dat gewordt.

Tot ziens, mijn vriend, geen hand of traan,
wees niet bedroefd, ga niet teloor –
de dood is oud in dit bestaan,
maar leven niet veel nieuwer, hoor.

   Ook hier word je heen en weer geslingerd tussen het gedragene van ‘gewordt’ en ‘teloor’ (in de vreemde aansporing ‘ga niet teloor’) en het nonchalante, wegwerperige van ‘mijn jongen’ en het slotwoordje dat aan alle hard opgehouden wil om het mooi te vinden subiet een einde maakt – de slotpendant van het wiebes-en-bergse ‘Nou’ – de slappe uitsmijter ‘hoor’. Die nonchalance is een keuze, maar de spreektaligheid die je ermee gepaard zou willen zien is niet volgehouden.
   Het zijn vooral de laatste twee regels natuurlijk die er in het Russisch inhakken, en die bij uitstek citabel zijn. Het Russisch heeft als rijmschema abab cdcd, gekruist rijm, waardoor de twee laatste regels niet op elkaar rijmen – maar toch doen alsof. Verletterlijkt staat er: ‘In dit leven is doodgaan niet nieuw, /Maar ook leven, natuurlijk is niet nieuwer’, waarbij de stellende en vergrotende trap van ‘nieuw’ – niet met elkaar rijmend – de regels besluiten en onontkoombaar maken.
   Ik zou zeggen dat als het niet lukt om de slotregels niet-rijmend even onontkoombaar te maken, dat je ze dan maar moet laten rijmen. En er gepaard rijm van maakt, aabb dus. Dus iets als dit:

Het ga je goed, mijn vriend, het ga je goed,
Mijn lieve vriend, je zit me in het bloed
Dit afscheid, deze korte stop
Belooft een weerzien verderop.

Het ga je goed, mijn vriend, geen hand, geen woord,
En nu niet somberen, akkoord?
Er is niks nieuws aan sterven in dit leven
Maar ook leven heeft niks nieuws te geven.

   Waarbij ik als derde regel twijfel over ‘Deze voorbestemde korte stop’ om die voorbestemming erin te houden. Maar misschien is dat niet nodig, omdat de belofte uit de volgende regel het al opvangt. En ik wil toch het woord ‘afscheid’ erin houden. Misschien ‘tussentijdse korte stop’ alsof het om een treinreis gaat? Dan is ‘voorbestemde’ misschien toch wel leuk, omdat ‘bestemming’ erin zit.
   De zesde regel is misschien te kort, maar als ik ervan maak ‘En niet droefgeestig somberen, akkoord?’ klinkt het weer naar vulsel. Dan maar kort en lapidair.
   Het belangrijkste – de sfeer en de toon, als in een gesprek maar enigszins van gevoel en voorgevoel gevuld, verhoogd van spanning – zit er naar mijn gevoel en voorgevoel misschien wat strakker in dan in de andere.

_____
   Verwijzingen. Charles B. Timmer besprak de versies van Dedecius, Celan en Fondse in Maatstaf 25, 1977, online op de dbnl hier. De vertaling van Wiebes & Berg is uit Van Derzjavin tot Nabokov, Russische poëzie uit drie eeuwen (Plantage, Leiden 1994), die van Jiskoot uit Sergej Jesenin, Gedichten, Slavische Cahiers 15, Pegasus, 2013, die van Van der Ent uit Repercussies uit het Russisch, Woordinblik, 2019.

Reacties

Populaire posts van deze blog

104 Hervertalingen, moet dat nou?

103 Een ovaalvormige ronde tafel

105 Amanda Ros – Irene Iddesleigh III

101 Amanda Ros – Irene Iddesleigh II

106 Vroege Joyce-vertalers