287 Herdichtingen – Martinus Nijhoff, De moeder de vrouw

   De moeder de vrouw

De brug was af. Iedereen erheen. Ik ook.
’t Was een echte brug, dat zag ik zo.
Hij liep van hier naar de overkant
Ik vergewiste me ervan, liggend in het gras
Kauwend op een strootje en drinkend
Aan mijn thee. Ik was leeg en tevreden -
Toen hoorde ik wat. Het was een stem
(Ik vergat te zeggen dat dit Zaltbommel is)

Het was een vrouw. (Die stem.) De stem
Die ik hoorde behoorde aan een vrouw -
Het was een vrouwenstem. In een boot.

En zij zong, het leek mijn moeder wel
Ik werd gegrepen door grote weemoed
Hoe graag had ik gewild dat zij het was

_____

   Ja, wat staat er nou éigenlijk? in dat gedicht? Nou, dit dus, maar dan geüglificeerd en ontdaan van alle mooipraterij en schöngeisterei, die je bij Nijhoff trouwens ook al niet tegenkomt, maar deze versie is door het rigoreus afzweren van alle dichterlijke prosodie nog kaler, nog strakker, kinderlijker, naïever, hulpelozer – en daarmee au fond potentieel nog ontroerender.
   Goed, het oorspronkelijke gedicht is ook mooi, hoewel er mensen waren (Simon Vestdijk, Anthonie Donker) en zijn (Evi Aarens) die het maar niks vonden en vinden, ‘mislukt’, ‘vol fouten’ en ‘mal’ – wat laatstgenoemde er intussen niet van weerhield om het gedicht door de mangel te halen en in een pan te gooien met andere gedichten om er (in gedeeltelijke parafrase) het begin- en slotgedicht uit te destilleren voor haar magistrale debuut-sonnettenkranskrans Disoriëntaties, die begint en eindigt met: ‘Ik ging naar buiten om de tuin te zien’.
   Gerrit Komrij maakte van dit onaantastbare kleinood ook een onherstelbaar verbeterde versie, cq vertaling, hertaling, nadichting, Het water de stank (‘Er was veel rommel op de brug te zien’) waarmee eens te meer bewezen is dat je het heus niet voor heilige teksten hoeft op te nemen, dat doen ze van hun eigenste eigen zelf wel.
   Wat nog mijns inziens ontbreekt in het pantheon van versies is het gedicht zoals Nijhoff dat oorspronkelijk bedacht had, dat hem voor ogen zweefde toen hij het doorkreeg van boven. Nijhoffs zus woonde namelijk in Zaltbommel, en zijn eerste idee was dan ook een gedicht te schrijven dat moest beginnen met ‘Ik ging naar Bommel om mijn zus te zien’. Een overblijfsel van dit eerste, gezinsherenigende idee is de moeder die Nijhoff plotseling meent te herkennen in een psalmodiërende schippersvrouw op een voorbijvarende aak.
   Over het gedicht blijft geschreven worden, zie bijvoorbeeld op de neerlandistiek-site, hier.

Reacties

  1. Is het wat al te prozaïsch om te denken dat een geüglificeerd sonnet eigenlijk geen veertien maar dertien regels zou moeten tellen?

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten

met onder meer de afgelopen tijd

160 Vintage Vondel

389 Freshes from the precious

387 Nacht, trottoir – als pantoum

386 Nacht, trottoir – als contravers

384 Nacht, trottoir – als Constantijn Huygens

385 Delina Delaney, hoofdstuk III

391 Nacht, trottoir – als Beatleliedje

390 Nacht, trottoir –interrogatief en exclamatoir

388 Nacht, trottoir – als Hadewijch

392 Nacht, trottoir – als Willem Kloos