370 Koning Bub

   Hier begon ik met de woorden in de paleiselijke woning. Wat rijmt op koning, zodat ik – eindelijk, eindelijk – een van de intrigerendste, afschuwelijkste, grappigste, indringendste, gekoesterdste, visionairste toneelwerken aller tijden een kindermakeover kon proberen te gaan geven. Een droom kwam uit, of een nachtmerrie, het is maar hoe je ertegenaan kijkt.
   Van Ubu Roi in Koning Bub.
   Eigenlijk vroeg het stuk erom. Jarry concipieerde het als poppenspel – of een kruising tussen Polichinelle en Macbeth. Toen het opgevoerd zou worden wilde hij dat de (menselijke) acteurs middels touwen aan de trekkenwand boven vastzaten, alsof het marionetten waren. ‘Dat was realistischer,’ volgens Jarry.
   Vooral leuk is dat ik koning Bub met zijn eega Bab een waar schrikbewind kon laten ontketenen waarbij ik allerlei gruwelijkheden kon beschrijven. (Ook het woord schrikbewind wilde ik absoluut gebruiken.)
   Het pseudo-mot de Cambronne waarmee het stuk opent werd door Dolf Verspoor vertaald als proep, door Louis Lehmann als verdrek, en door Cyril Connolly en Simon Wattson Taylor als pschitt. Ik liet het achterwege, want ik had geen gesproken tekst als opening voor een variant op schijt of stront (de sterkste mededingers, denk ik, schrijt! stromt!). In mijn versie hoeven Bub en Bab bovendien de oude koning niet over de kling te jagen om toch onwaarschijnlijk wrede ellendelingen te zijn, ze hebben de troon gewoon netjes geërfd.
   Koning Bub is een amalgaam van Ubu Roi, Andersens Nieuwe kleren van de keizer en allerhande rijm- en verteltechnische uit- en afwerkingen overgenomen uit de lange kindergedichten van Kornej Tsjoekovski, met name Kakkerlakkerste. Bijvoorbeeld de snelle afwisseling van versmaten (en ook hier en daar antimetrieën, want het mag geen dreun worden), de al even snelle opeenvolging van beelden, want bij iedere regel moet je je idealiter iets kunnen voorstellen, het happy end, want daaraan hou je een goed humeur over, zelfs als moet de gelukkige afloop er met de haren bijgesleept worden, etc etc. De omslag die naar het happy end leidt is klassiek tsjoekovskiaans, zie bijvoorbeeld het verschijnen van de reddende mus is Kakkerlakkerste (in Bij mij op de maan, blz. 207-212).
   In Koning Bub pakte de omslag extra gelukkig uit, omdat ik de reddende engel op de kinderlijk denkbaarste manier introduceerde met het kinderlijk denkbaarste rijm, om middels die plotselinge afwijkende toon de dichterlijke deus ex machina, het onwaarschijnlijke van de redding, extra duidelijk te laten voelen:

[...] Want over straat daar komt een meisje,
Een meisje en zij eet een ijsje,
Een ijsje en haar naam is Lijsje,
Lijsje, Liezelijsje heet het meisje,
En zij peutert in haar neus en zegt,
En zij pulkt in haar neus en zegt,
Tegen de koning, recht
In zijn gezicht kijkt zij en zegt:
      Jij bent geen koning, voor geen bal!
      Jij bent gewoon Prins Carnaval!

   Even krijg je door het opgelegde rijm Lijsje ijsje het vermoeden dat het misschien allemaal niet waar is. En het is natuurlijk ook niet waar, het is verzonnen, en reddende engelen als Lijsje zijn er in het echte leven niet. Dat zit onder de oppervlakte van het Lijsje ijsje-rijm allemaal verborgen, maar je hebt nauwelijks tijd om het te beseffen, want daar dendert het avontuur alweer door.
   Eerst probeerde ik het plotseling opduikende ijsje iets meer bestaanrecht te geven, en stond er:

[...] over straat daar komt een meisje,
Een meisje en zij eet een ijsje,
Een ijsje dat ze had gehaald
Op de hoek bij Van der Kroot,
Twee bolletjes, zelf betaald
(Krenten-smurfen-hazelnoot),
Een ijsje en haar naam is Lijsje, etc.

   Maar dat leidde alleen maar af van de afleiding. Het gaat niet om het ijsje (het ijsje, dat is duidelijk, staat er louter om het rijm), maar om Liezelijsje, die redding komt brengen, dus ik schrapte de toegevoegde regels weer.
   Tijd voor Bub om er de hark door te halen, koppen te doen rollen, de boel af te slachten!
Koning Bub

In het land van melk en honing,
In de paleiselijke woning,
      Kwam op een keer
      Een dikke meneer,
Die zei: Ik ben de nieuwe koning,
En iedereen die mij geen trouw belooft,
Mij geen zakken vol met goud belooft:
      Eraf met zijn hoofd!
      In zee ermee!
Ik ga over lijken
Om mezelf te verrijken!
      Ik ben de Slechtste,
      Ik ben de Wurste,
      Ik ben Koning Bub d’n Urste!
En wie niet gehoorzaamt
      Gaat kapoerewiet!

Goed zo, Bub!
Zei Bab, zijn vrouw,
Ga je verrijken
En doe het gauw.

En op hun kroon rinkelden de belletjes,
En op hun troon tinkelden de schelletjes,
Er was gehos en gehuppel,
Tot koning Bub zijn vrouw Bab
Een klap gaf met zijn koninklijke knuppel,
En sprak:
      Nu is het welletjes,
      Uit met de pret,
      Nu ga ik regeren,
      Retteketet!
Hier met papier,
Hier met een pen,
Ik schrijf een decreet
Zodat iedereen weet
      Wie ik ben.

Dienaren bogen,
Bodes vlogen.
Daar kwamen met z’n twee
De minister van Handel
En de minister van Wandel
En ze brachten gedwee
Allebei
Een tafeltje
En schrijfgerei mee.

Onderdanen! Olé!
Schreef koning Bub met zwier
Op het koninklijk papier,
Mensenvolk!
            Ik,
      Bij de gratie van Puppelepee
En Huppeldepup,
Maak het volgende bekend:
      In het kader van de armoedebestrijding,
      De grote opgaves en het economisch tij,
      De onderlinge verbondenheid
            en de afvalscheiding –
      Gaat er extra geld naar mij, mij, mij.

      Dat men zich met z’n hele hebben en houwen
      Derhalve vervoege ten koninklijke gebouwe,
      Morgenochtend klokslag tien,
            Het hele volk,
      Want wie zich niet laat zien,
            Die krijgt de dolk,
            Geheid.
      Was getekend,
      Jullie koning
      Bub d’n Urste,
      tot in der Eeuwen Gouwe Geit.

Proclamaties werden opgeplakt,
Protesteerders werden opgepakt,
Hoofden werden afgehakt,
De politie haafde hand,
      En alles wat leefde
      Sidderde en beefde
En het angstzweet kleefde
      Op het voorhoofd
Van de mensen in het land.

En de volgende morgen
Liep in een lange rij
Vol kommer en zorgen
Het volk voorbij –
En Bub stond met geslepen mes
Naast zijn vrouw op het bordes
Van zijn woning te Soestdijk
En hij riep tegen de massa:
      Geld maakt niet gelukkig,
      Maar wel rijk!
      Dus niet zeveren,
      Inleveren!
      Hier is het kassa!

Wie ben jij?
      ‘Hagelslag, bankier.’
Hier met je centen.

Wie ben jij?
      ‘Gortepap, kruidenier.’
Hier met je krenten.

Wie ben jij?
      ‘Wafelberg, woekeraar.’
Hier met je rente.
      ‘Nee, niet m’n rente!’
Ho-ho-ho, gaat meneertje kibbelen?
Gaan we tegenstribbelen?
Trawanten! Hak voor straf
Z’n kop eraf,
En doe z’n benen ook gelijk maar even:
Iemand moet het goede voorbeeld geven.
Wie ben jij?
      ‘Stokpaardje, circuseigenaar.’
Hier met je tenten.

Wie ben jij?
      ‘Raamkozijn, kunsthandelaar.’
Hier met je prenten.

Iedereen, de hele stoet
Gaf heel z’n have en z’n goed:
De slager z’n varken,
De tuinman z’n harken,
De rijke stinkers hun oude opgespaarde marken,
      Daalders en florijnen,
De spoorwegmaatschappij z’n treinen,
      De loodgieter z’n lood,
      De bakker z’n brood,
      De schilder z’n verf,
      En de boer z’n erf.

Boven het paleis hing overdag
De roodwitblauwe vlag
Met daarop de leuze:
      ‘Rijkdom is een keuze’
En de boodschap, klaar en simpel
Op de oranje wimpel:
      ‘Meer voor mij
      Maakt iedereen blij’.
En bij de toonbank voor de poort
Moest iedereen zijn zakken legen.
Alles, volgens Bub, zoals het hoort:
Want wie het zwaarste is,
      Moet ook het zwaarste wegen.

Een schrikbewind was het. Een ramp.
Met wapengekletter en laarzengestamp
Gaat koning Bub bij ieder huisje binnen
Om hoogstpersoonlijk, met geweld,
Het belastinggeld te innen.
Op elke stoep weerklinkt zijn roep:
      Dames! Heren!
Wij moeten ons niet door angst laten regeren,
Maar denken:
      Wie gaat er profiteren?
Dat is en blijft altijd de dikste,
Dat wil zeggen:
      ik, ikker, ikste!

Jij daar meneertje, wat ben jij waard?
— ‘Een koe en een paard.’
Die zijn nu van mij.

En jij, wat is jouw bezit?
— ‘Een leunstoel en een kunstgebit.’
Die zijn nu van mij.

En jullie, hebben jullie nog iets?
— ‘Nee majesteit, wij hebben helemaal niets.’
Helemaal niets! Dat is de druppel!
Wachters! Trawanten!
Maak die leugenaars van kant en
Snijd lappen van hun velletjes!

En koning Bub zwaait met zijn knuppel
En hij rinkelt met zijn belletjes,
Kwat in de Koninklijke Kwispedoor
      En gaat weer door
      Met in zijn spoor
Een onafzichtelijke bende
      Nood en dood,
      Leed en ellende.

Is er dan niemand die iets doet?
Niemand met een greintje moed?
Jawel, jawel hoor, luister goed:
Want over straat daar komt een meisje,
Een meisje en zij eet een ijsje,
Een ijsje en haar naam is Lijsje,
Lijsje, Liezelijsje heet het meisje,
En zij peutert in haar neus en zegt,
En zij pulkt in haar neus en zegt,
Tegen de koning, recht
In zijn gezicht kijkt zij en zegt:
      Jij bent geen koning, voor geen bal!
      Jij bent gewoon Prins Carnaval!
Prins Carnaval met al je belletjes!
Je kroon dat is een steek,
Je mantel is een cape,
Je knuppel stelt niks anders voor
Als de stok van de tamboer-majoor –
Dus hoepel op met al je stomme spelletjes!
Jij bent een clown, een dikke vette,
En je vrouw dat is een majorette!
Ja! riepen de mensen,
Hoera! riepen de mensen,
Liezelijsje heeft gelijk!
Dat meisje heeft gewoon gelijk!
Waarom hebben wij dat niet gezien?
Weg met die trol!
      Weg met die trien!

En kijk de mensen nu eens durven:
Ze grepen het tweetal bij hun lurven –
      En Bub mocht schreeuwen wat hij wou
      En zich verstoppen achter zijn vrouw,
      Maar ze waren niet meer te vermurwen –
Ze grepen ze,
      Bub en Bab,
Ze sleepten ze,
      Bub en Bab,
Ze smeten ze,
      Bub en Bab,
      Bubbelebub en Babbelebab,
De charlatans,
      de zwendelaars,
            het gajes,
Niet in ’t cachot,
      niet in ’t gevang,
            niet in de bajes,
Niet in de modder of de drek,
Niet in de sloot of over ’t hek –
Maar op een kar, met trekker voor,
      Een praalwagen, voor carnaval
      Die onder luid bazuingeschal
Langzaam rijden ging, de straten door,
      Met achter ’t stuur ons Liezelijsje,
      Onze heldin, ons wijze meisje,
En de mensen dansten, sprongen,
Ze jubeljuichten en ze zongen:
      Alaaf, alaaf,
      Wij zijn niet langer slaaf!
      Wij zijn bevrijd van koning Bub,
      Hieperdepiep
      En hup-hup-hup!
_____

Alfred Jarry, Ubu Roi dateert uit 1896. Robbert-Jan Henkes, Wit als een wat, met illustraties van Charles Michels, Querido 2018. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345, hier. Dit stuk verscheen eerder op ooteoote, hier, in de rubriek Simpel Is.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

160 Vintage Vondel

373 Nacht, trottoir – als a-tal

372 Nacht, straat, straatlantaarn, apotheek

371 Pak aan, nageslacht! — Interview met Anatoli Mariëngof

374 Nacht, trottoir – als sonnet

368 De kikker

369 Dierenmoeder houdt van dierenkind

345 Register & Inhoud VandaagsVertaalProbleem (cumulatief)

375 Nacht, trottoir – als Herman Gorter