367 Delina Delaney, hoofdstuk I

   De Britse romancière-essayiste Angela Carter (1940-1992) staat bekend om haar gezwollen, van de bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden wemelende proza. Ze erkende dat ook zelf en pareerde de kritiek op haar stijl in een interview met de volgende behartenswaardige woorden: ‘Okay, I write overblown, purple, self-indulgent prose – so fucking what?’
   Hetzelfde so fucking what zou het antwoord moeten zijn op dezelfde soort kritiek op de unieke stijl van Amanda Ros.
   Of moet ik zeggen: unieke stijlen? Want Delina Delaney is weer op een heel andere manier buitenissig dan Irene Iddesleigh. Waar haar debuut uit 1897 een vuurwerkshow van veelkleurige alliteraties was, en de schrijfster alles uit de kast haalde om het maar zo perifrastisch mogelijk te zeggen, zich verliezend in immer zijpaden inslaande syntaxen, gekwadrateerde preciositeit en een omslachtigheid waar zelfs de beste verstaander zich de haren bij uit het hoofd trok, klinkt zij in haar tweede roman van een jaar later veel ernstiger, recht door zee, zekerder van haar zaak, het métier onder de knie hebbend en van niemand meer iets hoevende te leren. Een door- en doorknede auteuse.
   Niet dat ze de alliteraties vaarwel heeft gezegd, en ook niet dat haar perioden plotse parels van begrijpelijkheid zijn geworden – verre van – maar ze is duidelijk feller geworden en draait haar hand voor een draai om de oren niet om. De toon is een grein bitterder, minder geëxalteerd. Niet verbitterd, daarvoor blijft haar verongelijktheid nog steeds te gloedvol. Ze wrokt niet, ze mept. Recensenten, advocaten, architecten, alles wat los en vastzit en haar onmin heeft gewekt krijgt de wind van voren.
   Dat begint meteen al op de eerste bladzijde als schuldeloze stervelingen die Connemara nog nooit hebben bezocht het moeten ontgelden:

Hebt u ooit vertoefd in dat part van Erins perceel dat haar goedgunstige gronden blootgeeft aan de gerichte schouw en grondige observatie van de politiek boven ons gestelden die voorheen wijselijk tot middel verkozen de steilen en bekrompenen van geest te bekeren en de hand van luttele hulp te reiken teneinde middels aanwas van de agrarische overvloed in haar kracht te delen?

   Je ziet: ze is nog niets verloren van haar gordiaanse hersenkronkels die ons zo lief zijn uit Irene Iddesleigh. In het Engels staat het er zo:

Have ever you visited that portion of Erin’s plot that offers its sympathetic soil for the minute survey and scrutinous examination of those in political power, whose decision has wisely been the means before now of converting the stern and prejudiced, and reaching the hand of slight aid to share its strength in augmenting its agricultural richness?

   Het is me na honderd keer lezen nog steeds een raadsel wat hier bedoeld wordt. Het is een mooi stukje Ierland waar ze het over heeft, maar wat doen de politiek boven ons gestelden, de autoriteiten daar? Proberen zij de onwetenden (de ‘steilen en bekrompenen’) ervan te overtuigen dat stukske land te bezoeken? En doen zij tevens hun best om er de landbouw te bevorderen? Iets anders kan ik er niet van maken – maar het blijft hineininterpretieren want de syntax geeft me glibberig weinig houvast. Het helpt vaak om de volgende regel of regels erbij te betrekken, die vaak een uitbreiding van de gedachte zijn. De tweede zin gaat zo:

Mocht u de westelijke grenzen van uw geboortige en geliefde eiland van groene en aangrijpende grandeur nog niet hebben bereikt, dan staat het u nauwelijks vrij uw bestaan te verbeuzelen of uw leven van doffe monotonie te verkwijnen in verhoopte toekomstigheid.

If you have not already reached the western borders of your native and beloved isle of green and striking grandeur, you are hardly worthy of permission to dawdle in your existence or dwindle your lives of dull monotony into hoped-for futurity.

   Met andere woorden: donder en bliksem over de hoofden van de Ieren die hier tot hun eeuwigdurende schande nog nooit geweest zijn. Die zijn hun saaie leventje nog niet eens waard. We komen hier een van de schrijfsters favoriete woorden tegen, futurity, dat ik veelal met toekomstigheid vertaal, maar het is een vergissing te denken dat je in het vertalen van begrippen in romans consequent moet zijn. Iedere context schept zijn eigen vertaling. In de volgende alinea trekt de schrijfster opnieuw van leer tegen de luien en nalatigen, en wordt een fractie duidelijker op wie haar openingssalvo gericht was:

Ik zinspeel hier op dat maatschappelijk segment dat zich vermeit met de middelen om een vakantie te overwegen en die te vaak elders meent te moeten zoeken, om het platgetreden pad van verwacht plezier te beploegen waarvan ze anderen wijsmaken dat het niet kan worden aangetroffen op Ierlands kust van ruige pracht.

It is to that sect of the community I hint, who, happily, are endowed with the means of speculating on a holiday, and who too often seek it elsewhere, to plough the path of expected pleasure, which they lead others to believe is not to be found within Ireland’s coast of rugged greatness.

   De schrijfster heeft voor haar lyrische buitelingen vaak een afzetpunt nodig, een steen des aanstoots vanwaaruit ze het verbale luchtruim kan kiezen. Dat geeft een heel bijzonder effect. Ook bijzonder is dat er in regels vaak wordt doorgegaan niet op wat er staat maar wat er bedoeld wordt. Hier slaat de laatste uitbreiding, ‘waarvan ze anderen wijsmaken dat het niet kan worden aangetroffen op Ierlands kust van ruige pracht’ niet terug op het verwachte plezier, maar op het plezier zelf.
   Het hoofdstuk vervolgt nog een tijdje met de lofzang op Connemara en een beschrijving van het dorpje Shatha (ontsproten aan de fantasie van de schrijfster) waar in een enigszins afgelegen piepklein huisje, Erin Cottage, de wonderschone Delina woont met haar vader, de arme visser annex strandjutter Joe en haar moeder Biddy. Meteen in het eerste hoofdstuk sterft Joe zodat het echte verhaal kan beginnen.
   En dat wordt een bloedstollend verhaal, dat kan ik je beloven.
_____

Delina Delaney van Amanda Ros is op archive.org te lezen en te downloaden, hier. Ik dank Isabel Goethals voor haar commentaar op de eerste versie van de eerste vertaling van het eerste hoofdstuk van Amanda Ros’ tweede boek. Een cumulatief, permanent bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.

Reacties

  1. During a few months in summer, they repair to little wooden constructions, erected temporarily behind their respective cottages [...]": "Every morning, therefore, uncle Charles repaired to his outhouse [...]" Wyndham Lewis had gelijk, haha, en Joyce ook (om te zwijgen over Kenner).

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ga je de niet-Preface en "Criticism of Barry Pain" ook vertalen? Twee meesterwerkjes, en dan moet de roman nog beginnen.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. T.z.t. wel, maar ik vind dat die tirade eerder een apart boekje behoeft of beter bij haar proza- en poëziescheldkanonnades past; als voorafje bij Delina Delaney vind ik het eigenlijk zonde van de roman.

      Verwijderen
  3. De niet-Preface lijkt me wel een leuk voorafje.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ja, die hoort er zeker bij! Maar de tirade tegen Barry Pain is pijnlijk – veelzeggend wel over de schrijfster, maar ook een beetje goedkoop, als je begrijpt wat ik bedoel.

      Verwijderen

Een reactie posten

met onder meer de afgelopen tijd

160 Vintage Vondel

373 Nacht, trottoir – als a-tal

372 Nacht, straat, straatlantaarn, apotheek

371 Pak aan, nageslacht! — Interview met Anatoli Mariëngof

374 Nacht, trottoir – als sonnet

370 Koning Bub

368 De kikker

369 Dierenmoeder houdt van dierenkind

345 Register & Inhoud VandaagsVertaalProbleem (cumulatief)

375 Nacht, trottoir – als Herman Gorter