389 Freshes from the precious

   Kijk eens, wat er net uit is, verschenen bij Koppernik:
   Maar wat een kort nawoord! Zeven bladzijden maar!
   Dat komt, ik wilde deze geweldenaar, nummer drie van het Ierse driegebergte Joyce-Beckett-O’Brien niet nog eens introduceren met allerlei wikipedische onwetenswaardigheden, alsof niet iedereen zou moeten weten wie deze O’Nolan was.
   In plaats daarvan heb ik eigen onderzoek gedaan, zelfs twee eigen onderzoeken, ten behoeve van de internationale flannologie (ik zal ze ook nog in het Engels overzetten), een immer hoger en breder uitwaaierende tak van literatuurwetenschap, waarbij zich tevens vele afgezwaaide, vermoeide, teleurgestelde of gewoon weleens iets anders willende Joyceanen en Beckettisten voegen.
   En met dit boek ben ik ook tot de rangen der flanneurs, zoals ze heten, toegetreden.
   Mijn korte onderzoekingen betroffen 1) de vraag in hoeverre de schrijver zich bij het herschrijven van The Dalkey Archive door zijn vrienden liet leiden, en 2) zekere punten waarin de roman verschilt van de toneelversie die Hugh Leonard er onmiddellijk van maakte, van commentaar voorzien door de schrijver.
   Veel aanwijzingen haalde ik uit de in 2018 uitgekomen pil The Collected Letters of Flann O’Brien. De toneelversie heb ik afgebedeld bij een rechtenbureau.
   Vergelijking tussen de toneelversie en de boekversie was zeer verhelderend: hoe je van een hilarisch maar raadselachtig en paradoxaal genoeg vrij somber boek een toneelversie maakt waar alleen maar grappen en grollen overblijven – waarom het boek dus oneindig veel beter is. En nog beter had kunnen zijn als de schrijver zich niets van het advies van zijn meelezende vrienden had aangetrokken, en de roman bijvoorbeeld niet had herschreven in de derde persoon (het was in de ik-vorm). Heel interessant allemaal.
   Het nawoord had best langer kunnen zijn, als ik een paar passages niet had geschrapt als afleidend en niet ter zake doend. Het begon met een fictief uitstapje naar Texas:

Bewaard in vuistdikke atoomkluizen in de martelbunker van het Harry Ransom Center in Austin, Texas (300 West 21st Street), waar ze met de juiste clearance van de hoogste civiele en militaire autoriteiten en na invasieve veiligheidschecks – vooral vanwege de elf dozen Joyce-materiaal die er liggen – ingezien kunnen worden, bevinden zich in doos twee map één van het duo dozen Flann O’Brieniana behalve het manuscript van At Swim-Two-Birds en Faustus Kelly eveneens het manuscript en latere typoscripten van The Dalkey Archive.

   Maar daar was ik helemaal niet geweest, sterker nog, ik moet er nog naartoe. Tweede schrappage was een samenvatting van The Dalkey Archive waar ik op een bepaald moment geen touw meer aan kon vastknopen:

Volgens Giambattista Vico is de geschiedenis van de mensheid onder te verdelen in drie tijdperken, dat van de goden, de helden en de mensen, met daarna anticlimax, chaos en een terugkeer of ricorso naar het begin. Deze drieslag, die ook de stellage vormt van het nachtboek van James Joyce, Finnegans Wake, smeedt Flann O’Brien in The Dalkey Archive om in religie, wetenschap en literatuur. Het boek begint met een religieus-dogmatische plotlijn over Augustinus die zich gecorpificeerd laat uithoren over zijn liederlijke jeugd. Dan volgt de wetenschappelijke lijn met de molliekuul-theorie van brigadier Fottrell die ons maant dat als we niet oppassen allemaal in fietsen zullen veranderen, tezijndertijdelijk. Vervolgens is het de beurt aan de literatuur met Joyce, die blijkt te leven en anoniem in een kustplaatsje boven Dublin te wonen en daar te werken als hulpbarman. Waarna The Dalkey Archive inderdaad besluit met een vaag, chaotisch en onbevredigend einde waarin de draadjes niet aan elkaar worden geknoopt maar net als in het echte leven los blijven hangen in de onverstoorbare wind. Het lijkt of De Selby er niet geweest is en of al Micks inspanningen vervluchtigd zijn – en hij de burgerlijke koers van zijn gepredestineerde leven kan en zal voortzetten alsof er niets is gebeurd. Hoogst curieus.

   Eigenlijk was dit een soort samenvatting van de samenvatting van het nawoord zelf. Kon dus weg. Ik had ook nog een heel stuk over At Swim-Two-Birds en (beknopt) de verknoopte verbanden met Joyce, maar dat hield het onderzoek ook maar op:

At Swim-Two-Birds is een jonglade met een drietal totaal verschillende verhalen, personages, stijlen, die op zeker moment samenkomen en met elkaar interfereren, zodat er cowboys op z’n cowboyboeks door Dublin zwalken en een mythische Ierse held door boekpersonages die tot leven zijn gekomen aan vreselijke martelingen wordt uitgeleverd.
   Het boek was een succes, d’estime veelal omdat de Nazi’s in Londen het magazijn bombardeerden waar hele oplage lag (minus de 244 tot dan toe verkochte exemplaren), ongetwijfeld met opzet, net zoals ze ook met opzet Polen binnenvielen om de receptie van Finnegans Wake te saboteren. In Parijs overhandigde vriend Niall S. At Swim-Two Birds aan Joyce, met als opdracht met een massa van wat er op bladzijde 305 staat en dat waren de aldaar onderstreepte woorden schroomvalligheid van de auteur. Joyce leverde na een batterij telescopen op zijn halfblinde ogen gezet te hebben de blurb voor alle komende edities tot in het hiernamaals: Een echte schrijver, met de ware humoristische geest. Een echt grappig boek.
   Maar Joyce bleef en bleef maar van stal gehaald worden en dat werd O’Nolan, hoe hoog hij Joyce ook had zitten – hij kende hele lappen uit het Hades- en het Cyclops-hoofdstuk uit zijn hoofd en hij mede-organiseerde in 1954 de eerste echte Bloomsday: check de filmopnamen waarin hij op Sandymount aan de roep van de natuur gehoor geeft – soms een tikkeltje te veel. Joyce werd afgod, uitgeplozen en aanbeden door Amerikaanse professoren, een industrie – terwijl hij, hijzelf, hij hier, de Nolaner, in Dublin gebleven – telno 881906 – ik bedoel, moet je kijken, minstens net zo goed zo niet beter, ja toch?
   Wie? Joyce?
   Een afstoffer van keukenmeidenverhalen was het en Finnegans Wake één groot boerenbedrog.
   Hij kreeg hem nog wel.

   Op de kaft van Flann O’Briens recente Complete Novels staat een foto die niet van zijn facie is maar van de facie van de Ierse dichter Robert Farren, wat ik te leuk vond om niet te noemen, maar niet leuk genoeg om daarna niet te schrappen:

Vijf romans schreef hij slechts, in totaal 787 bladzijden in de Everyman-uitgave van The Complete Novels uit 2007, met daarop voorop, ook weer typerend voor Myles de maskeradeur, de mystificateur, maar geheel onbedoeld en per ongeluk een portretfoto niet van hem maar van de Ierse dichter Robert Farren (1909-1984) – verwarring die ontstond toen het online flannzine voor flanneurs en mylesianen The Parish Review haar eerste nummer in 2012 sierde met het verkeerde portret.
   Nog een leuke aanprijzende tekst sneuvelde ook:

De doden zijn onzichtbaar maar niet afwezig, schreef Augustinus, en The Dalkey Archive is daarvan zestienhonderd jaar later het even geestige als spookachtige bewijs.

   Toen het boek al bijna ter perse ging vond ik op de weblog van Eva Meijer, hier, gedateerd 16 maart (2024) een prachtgedicht dat paste als een deksel (denksel typte ik, ook goed) op de Dalkey-pot: ik stelde voor aan de uitgever om het als flaptekst te gebruiken, maar het kwam er niet van. Dit is haar gedicht, Wat dan? heet het:

Wat als je eigenlijk ergens los in het heelal hangt zonder wat dan ook om je aan vast te houden?
Wat als de goden eigenlijk vogels zijn of andersom?
Wat als er eigenlijk echt alleen dit moment bestaat?
Of dit moment?
Of alle momenten samen tegelijkertijd?
Wat als je veilig zou zijn?
Wat als dat?
Wat als dan?
Wat dan?

   En nu, als het al te laat is, verwittigt artifex en allesweter Aart Clerkx me dat Augustinus’ ‘tolle, lege’ (pak op en lees) door Mohammed geplagieerd is in zijn eerste openbaring, die begint met ‘iqra’, lees hardop. Had ook nog best in het nawoord vermeld kunnen worden.
   Zo blijf je bezig. Een volgende keer zal ik vertellen wat ik uit deze blog heb geschrapt.

_____

   Flann O’Brien, Het Dalkey-archief, vertaald door Robbert-Jan Henkes, Koppernik, 2024, hier. Meer over The Dalkey Archive in blog 356 en 357, hier en hier. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345, hier.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

160 Vintage Vondel

387 Nacht, trottoir – als pantoum

386 Nacht, trottoir – als contravers

384 Nacht, trottoir – als Constantijn Huygens

385 Delina Delaney, hoofdstuk III

391 Nacht, trottoir – als Beatleliedje

390 Nacht, trottoir –interrogatief en exclamatoir

388 Nacht, trottoir – als Hadewijch

392 Nacht, trottoir – als Willem Kloos