549 Wat weet de belleman? Enige gedachten bij het lezen en vertalen van The Hunting of the Snark

   Het is overbekend, omdat hij het zelf vertelde, dat Lewis Carroll The Hunting of the Snark achterstevoren schreef. Hij kreeg op zekere wandeling in de Vrije Natuur van een hogere instantie de regel ‘for the Snark was a Boojum, you see’ doorgespeeld, die de laatste regel ergens van moest zijn. En dat ergens van moest Carroll er toen bij verzinnen en wel zo, dat het logisch naar de slotregel toe leidde. Dat is knap lastig en lijkt een beetje op het bouwen van een huis en beginnen met het dak. Of op de manier waarop de Fransman Raymond Roussel zijn verhalen schreef, met een beginregel die, hetzelfde uitgesproken maar geheel anders geschreven (en dus iets compleet anders betekenend), tevens de slotregel was. Ga maar aanstaan! Best een contrainte.

   Misschien is dit de reden dat The Hunting of the Snark verhaaltechnisch vreemde capriolen uithaalt en hier en daar eerder een verzameling losse eindjes lijkt dan een verhaal met kop en staart. Want alleen de staart was geconcipieerd, de kop en de romp en de ledematen heeft Carroll er daarna zo goed als hij kon aan vast gebasteld, als een paleontoloog die uit een fossiel kaakfragment een uitgestorven dinosauriër bij elkaar moet reconstrueren. Soms passen de onderdelen niet. Soms ontbreekt er iets. Soms klopt het niet.

   Dat Carroll moeite had blijkt al uit het feit dat met zijn eerste versie, bestaande uit drie hoofdstukken, het verhaal eigenlijk al verteld was. Het narratief was met The Landing (hoofdstuk één), The Hunting (hoofdstuk vier) en The Vanishing (hoofdstuk acht) compleet. Dat was het moment dat hij Henry Holiday vroeg om illustraties, en tegelijkertijd het idee had het verhaal te incorporeren in Sylvie and Bruno. Met die drie hoofdstukken was het staketsel af, en inderdaad zijn de vijf tussenliggende hoofdstukken, The Bellman’s Speech, The Baker’s Tale, The Beaver’s Lesson, The Barrister’s Dream en The Banker’s Fate eerder losse episodes, opvulsels, zonder enig effect op het verloop van de zoektocht.

   In hoofdstuk vijf bijvoorbeeld, The Beaver’s Lesson, worden de bever en beenhouwer vrienden (de beenhouwer die eerder niets liever wilde dan de bever slachten) naar aanleiding van een rekenkundige en vervolgens ornithologische les van de beenhouwer. Als het hoofdstuk klaar is, zijn we weer terug bij waar we begonnen – voor het verloop van het verhaal is het één grote terzijde. Idem dito het daaropvolgende hoofdstuk, The Barrister’s Dream, waarin de baliebepleiter een hele rechtszaak droomt over een varken dat niet in zijn hok is aangetroffen. Waarna de belleman hem wekt en we niets zijn opgeschoten – en ook het volgende hoofdstuk niets zullen opschieten, The Banker’s Fate, waarin de bankier door een Bandersnatch wordt gegrepen en weer wordt losgelaten, et c’est tout.

   Ook zijn de overgangen tussen de eerder en later geschreven hoofdstukken niet overal even soepel. Aan het eind van het eerdere hoofdstuk vier, The Hunting, op het moment dat de expeditie erop uittrekt, krijgt de beenhouwer plotseling slappe knikkende knieën, hij turned nervous, werd shy en moet zelfs snikken (sob). Maar direct daarop, in hoofdstuk vijf, The Beaver’s Lesson, gaat hij juist welgemoed en dapper op pad om de Snark te bejagen. Is de beenhouwer nu bang of is hij niet bang?

   Niet iedereen krijgt bij Carroll evenveel aandacht, was ook puzzelenthousiast en plezierdichter J.A. Lindon in de jaren 1950 al opgevallen, en ter opvulling van die lacune schreef Lindon een niet onverdienstelijke, achttien strofen tellende ‘fit the seven-and-a-halfth’, getiteld The Clue, met in de hoofdrol de Maker of Bonnets and Hoods (Hoedbandenier), de Boots (Bediende) en de Billiard-Marker (Biljarter-Markeur), die er bij Carroll beiden wat bekaaid vanaf komen. Martin Gardner heeft dit hoofdstuk integraal opgenomen als appendix in zijn Annotated Snark en het is leuk, en had zo in The Hunting of the Snark meegekund, alleen had hoofdstuk acht dan waarschijnlijk een iets langere inleiding behoefd – en was er waarschijnlijk ook een hoofdstuk tweeënhalf moeten komen om het epos weer in balans te brengen. Ik heb erover gedacht om Lindons hoofdstuk ook te vertalen – en zelf een hoofdstuk tweeënhalvig te schrijven, maar ik haalde vertalenderwijs al genoeg Unfug met Carrolls tekst uit. Bovendien vond ik de misschien onbedoelde figurantenrol van twee bemanningsleden die wel genoemd worden maar niets doen in het verhaal wel een zekere levensechtheid uitstralen. Een ‘rond’ verhaal is ook niet alles. Ook een geweer dat niet afgaat, gaat af. Misschien nog wel harder. Maar evengoed zou je kunnen zeggen: dat klopt (verteltechnisch) niet.

   Terzijde: The hunting is mij De klopjacht geworden, om het ritme van de Engelse titel te behouden, een ander ritme overigens dan het merendeel van de 564 regels van het gedicht. De Snark is bij mij de sneer. Zonder hoofdletter, net als ik hoofdrolspelers hoofdletterloos laat, aangezien kapitalisatie in dit soort gevallen een Engelse en niet direct Nederlandse conventie is. In het Nederlands komt het me wat overdreven voor. Snark, leert de Oxford English Dictionary me, bestond voor Carroll ook al, als werkwoord voor snurken, snuiven, briesen, maar ook als aanmerkingen maken, bekritiseren en zelfs zeuren en zeiken.
   In die betekeniswolk leek het Nederlandse sneer me uitstekend te passen. Natuurlijk kun je snark lezen als een verhaspeling (portmanteau) van snake (of snail?) en shark – maar dat is slechts een rationalisatie achteraf, en bovendien een ongewenste, sturende rationalisatie, aangezien het wezen strikt onuitgebeeld diende te blijven. Dus geen slangige of slakkige haai of slaai, dank u feestelijk – nog afgezien van het feit dat slaai een wel erg flauw woord is, een beetje slappe vlaai.

   De Snark mocht dus van Carroll door Henry Holiday niet afgebeeld worden – iedereen moest er zijn eigen voorstelling van kunnen maken. Maar de vaagheid, ambiguïteit, onbepaaldheid van het wezen is ook al in de tekst aanwezig. De belleman weet kennelijk alles van het wezen en aan het eind van hoofdstuk twee, The Bellman’s Speech, licht hij de bemanning voor. Eerst noemt hij de smaak van de Snark, waaruit je de indruk krijgt dat het beest eetbaar is, vervolgens de eetgewoonten (zijn ontbijt neemt hij als avondeten), zijn gevoel voor humor (vrijwel afwezig), zijn voorkeur voor verrijdbare badhokjes en zijn ambitie. Tot slot maakt de belleman onderscheid tussen Snarks die bijten en Snarks die krabben. Zijn ze dus toch gevaarlijk? Nee, zegt de belleman, ze hebben geen kwaad in de zin, behalve als de Snark een Boojum is:

For, although common Snarks do no manner of harm,
         I feel it my duty to say,
Some are Boojums — ...

   Waarop de bakker flauwvalt. Als de bakker bijgebracht is in hoofdstuk drie, vertelt hij over de waarschuwing die zijn nonkel hem meegaf, en die luidde – precies zoals de belleman bezig was te vertellen, maar o wee als jouw sneer soms een bojem is: ‘beware of the day / If your Snark be a Boojum’! Het vreemde is nu, dat de belleman, die eerst precies leek te weten wat je met Snarks en Boojums voor vlees in de kuip had, aan het begin van hoofdstuk vier, The Hunting, hoogst verbaasd is over dit feit, dat hij als autoriteit op Snark-gebied toch zeker geweten moet hebben, ja, hij was het al beginnen te vertellen. Daar kom je nu mee! zegt hij: ‘If only you’d spoken before!’ Dat klopt naar mijn gevoel niet, en komt opnieuw doordat een eerder geschreven hoofdstuk (vier) niet naadloos aansluit op een later geschreven hoofdstuk (drie).

   Uit de beschrijving van de Snark door de nonkel van de bakker in hoofdstuk drie rijst eerst een tamelijk onschuldig beeld van de Snark op, als gezelschapsdier, tevens inzetbaar om vonken mee te slaan, maar ook staat er de pluri-interpretabele mededeling ‘you may serve it with greens’, wat je allereerst leest als een culinair advies om een Snark op te dienen aan hongerige gasten, namelijk met groenvoer. Is het dan toch eetbaar wild? Nu kun je ‘you can serve it with greens’ ook lezen als een vriendelijke aansporing om de sneer te bedienen met groenvoer, wat beter in de context pas. Maar niettemin staat er iets tweesnijdends. Vertalers lijken hier te moeten kiezen, en van de zeven die de passage opnemen houden drie het op een opgediend schepsel en vier op een meeëter:

dien het op met wat groen (Evert Geradts)
serveer hem met sla (Lot van den Akker)
Breng hem thuis – in een pan – dan eten we ervan (Henri Ruizenaar)

geef hem groente en fruit (Erdwin Spits)
geef groen voer bij je thuis (W. Schuurman)
zo’n rauwkostvreter (Jan Kuijper)
voer hem komkommer en wier (Tom van Weerden)

   Ik heb geprobeerd de ambiguïteit erin te houden door de frase te vertalen als ‘die kan je van groenvoer voorzien’, waarbij het niet meteen duidelijk is of het om serveren of geserveerd worden gaat.
   Hoe het ook zij: in alle beschrijvingen van de Snark in dit gedicht zadelt Carroll de lezer op met tegenstrijdige en elkaar tegensprekende signalen, en dat is natuurlijk ook de grap. Het is enerzijds een huiveringwekkend monster (als het een Boojum is), maar anderzijds wel een grappig monster, en enerzijds moet je er wel bang van zijn, maar anderzijds kun je hem mee naar huis nemen, en enerzijds moet je geen grapjes maken, maar anderzijds kun je er prima mee eten, en enerzijds hebben ze geen kwaad in de zin, maar anderzijds weet je nooit of het een Boojum is, en enerzijds etcetera. De twijfelachtige status van de Snark maakt het wezen alleen maar intrigerender en je gaat je zelfs afvragen of de belleman en de nonkel van de bakker eigenlijk wel weten waarover ze het hebben. Misschien is het allemaal verzonnen?

   Carroll weet met deze tegenstrijdigheden en met alle losse eindjes en nergens naartoe leidende zijpaden de spanning gek genoeg alleen maar op te voeren. Hij stelt de ontknoping als een volleerde thriller-auteur steeds maar uit, ook met zijn voortdurende grappen, paskwillen, kwinkslagen, potsen, zwanskes en snakerijen terzijde. Zo vertraagt hij het verhaal heel effectief en weet het daarmee extra spannend te maken. Want hoe je het ook wendt of keert, en hoe Carroll het ook wil ironiseren, het is en blijft een bloedstollend spannend verhaal, The Hunting of the Snark. Dat nog slecht afloopt ook!

_____

Dit stukje verscheen eerder in de Phlizz, Digitaal Orgaan van het Nederlandsche Lewis Carroll Genootschap, van 1 januari 2026, hier. Een doorlopend bijgewerkt register op alle VandaagsVertaalProblemen staat in blog 345.

Reacties

met onder meer de afgelopen tijd

548 Existentiële vragen

547 De Theseus-paradox

499 Infinite Jest

469 Maartmaand Alicemaand – erratum op erratum

2 Allitereren

345 Register & Inhoud VandaagsVertaalProbleem (cumulatief)

107 Dhr. Duffy en het pijnlijk geval

458 Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis (het titelgedicht)